Vestzak & broekzak, koekje & deeg

door PJK op 02/06/2010

in Bestuursrecht, Rechtspraak

De arbeidsinspectie treft bij werkzaamheden aan een brug een Ghanees aan die ‘een doos met inhoud’ draagt. Dat levert 8.000 euro boete op voor Rijkswaterstaat Bouwdienst, dus voor het ministerie van Verkeer en Waterstaat, dus voor de Staat. De klus was uitbesteed en de Ghanees kwam via het uitzendbureau, maar dat soort argumenten redden particulieren ook nooit. Bij de Raad van State probeerde de Staat evenwel de door de minister van SZW opgelegde boete van tafel te krijgen.

Ten eerste beriep de Staat zich op de strafrechtelijke immuniteit: geen straf, dan ook geen boete. De wetgever heeft daar weliswaar niet aan gedacht, maar het is volgens de Staat wel duidelijk dat de wetgever dit bedoeld moet hebben. Strafrechtelijke immuniteit beoogt het optreden van organen die hun taak uitvoeren buiten het strafrecht te laten en de beoordeling daarvan over te laten aan het ‘politieke en democratische verantwoordingsproces.’

Hoewel nobel geformuleerd, gaat de Afdeling er niet in mee. Ze verwijzen naar de uitdrukkelijke bedoeling om de reikwijdte van de Wav uit te breiden ten opzichte van de voordien geldende regeling, onder andere door ook een aanstelling in overheidsdienst mee te nemen. De Afdeling pikt ook het argument van de Staat, dat de minister van SZW een in het licht van het lex certa beginsel te ruim werkgeversbegrip hanteert, niet. Wellicht met enig genoegen vat de Afdeling de bedoeling van de wetgever nog even samen:

het werkgeversbegrip in de Wav is ruim geformuleerd, omdat in de praktijk steeds naar wegen werd gezocht om via sluipwegen en ingewikkelde constructies het verbod vreemdelingen tewerk te stellen, en daarmee de vergunningplicht, te ontgaan

Verder had de Staat nog geprobeerd om de boete te laten matigen, omdat de aanwezige kopie van het paspoort dusdanig slecht was dat ze niet konden zien of dat van de aanwezige Ghanees was. Bovendien – en dat moet je maar durven te beweren, als Staat – was er geen belang meer bij een boete omdat anderen reeds voor hetzelfde vergrijp een boete hadden gekregen.  De Afdeling citeert ruimschoots de jurisprudentie die ontwikkeld is in zaken tegen particulieren en matigt de boete niet.

Daarmee waren echter niet alle argumenten van de Staat van tafel. Hun advocaten hadden kennelijk voor de ‘all-out strategie’ gekozen, want ze deden ook nog maar even een beroep op het verstrijken van de redelijke termijn. De Afdeling overweegt daarover dat het EVRM niet van toepassing is op geschillen tussen overheden, maar het mede aan artikel 6 ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel wel. Nu ze zelf toch over het EVRM zijn begonnen zoekt de Afdeling voor de invulling van dit rechtszekerheidsbeginsel aansluiting bij de jurisprudentie van het EHRM. Dat grondt zijn redelijke termijn-jurisprudentie op spanning en frustratie die verondersteld wordt te ontstaan bij lang wachten. Dat soort menselijke eigenschappen wil de Afdeling hier niet aannemen.

Over de Ghanees in kwestie verder geen woord meer. Als hij zich nog iets kan voorstellen bij wat er naar aanleiding van zijn rondsjouwen met dozen-met-inhoud is gebeurd, dan verdient hij in mijn ogen een Nederlands paspoort, met summa cum laude inburgeringsresultaten.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: