Voorbehoud bij Vrouwenverdrag

door Redactie op 08/02/2010

in Grondrechten

Post image for Voorbehoud bij Vrouwenverdrag

In het Vrouwenverdrag is het recht van vrouwen op gelijke behandeling met mannen bij de SGP al afgewogen tegen de vrijheid van vereniging, godsdienst en meningsuiting van de SGP. De Staat heeft een dringende behoefte aan een voorbehoud.

(On)gerechtvaardigde inbreuk
Aanvankelijk was met art. 7 onderdeel c van het Vrouwenverdrag het recht van vrouwen op gelijke behandeling met mannen ook van toepassing op besloten verenigingen. De opstellers van het verdrag merkten toen op, dat als onderdeel c van toepassing was op besloten verenigingen, onderdeel c zou neerkomen op een inbreuk op de vrijheid van vereniging, die ongerechtvaardigd was – “that would be tantamount to a violation of the right of freedom of association” staat er in de travaux préparatoiresinterference is inbreuk, violation is schending of ongerechtvaardigde inbreuk. Daarom werd een zinsnede aan onderdeel c toegevoegd, zodat onderdeel c alleen van toepassing was op maatschappelijke en politieke verenigingen.
Dat onderdeel c zou neerkomen op een inbreuk op de vrijheid van vereniging van maatschappelijke en politieke verenigingen vonden de opstellers dus niet ongerechtvaardigd. Anders hadden ze dat wel opgemerkt. Als de opstellers de mogelijkheid van een eigen afweging door de verdragsluitende Staten van grondrechten bij die verenigingen hadden willen openhouden, dan hadden ze een zinsnede met die strekking aan onderdeel c toegevoegd, bijvoorbeeld de zinsnede “met inachtneming van de vrijheid van vereniging” – vergelijk art. 4 van het Racismeverdrag: “met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”.
Voor de opstellers woog het recht van vrouwen op gelijke behandeling met mannen bij verenigingen waarop onderdeel c van toepassing was dus zwaarder dan de vrijheid van vereniging die geregeld is in art. 11 lid 1 EVRM. Met onderdeel c was de afweging van grondrechten al gemaakt. Bij nadere afweging vonden de opstellers dat het zwaardere gewicht van het recht op gelijke behandeling niet zwaarder moest wegen bij besloten verenigingen, maar wel bij maatschappelijke en politieke verenigingen.

In het bijzonder uit te bannen
Is er dan een dringende maatschappelijke behoefte aan een inbreuk op de vrijheid van vereniging bij maatschappelijke en politieke verenigingen? Dat is immers de voorwaarde voor een gerechtvaardigde inbreuk op de verenigingsvrijheid – uit art. 11 lid 2 EVRM volgt dat een gerechtvaardigde inbreuk op art. 11 lid 1 EVRM in een democratische samenleving noodzakelijk is; in de vaste jurisprudentie van het EHRM betekent dat er een pressing social need is aan de inbreuk. De opstellers van het verdrag vonden van wel. Ze vonden een inbreuk op het recht van vrouwen op gelijke behandeling met mannen bij die verenigingen een vorm van discriminatie, die de Staat “in het bijzonder” verplicht is om “uit te bannen” Dat volgt logischerwijs uit art. 7 aanhef en ondeerdeel c van het Vrouwenverdrag. De Staat is verplicht om deze discriminatie dus in het bijzonder te “veroordelen”, en deze discriminatie moet dus in het bijzonder “met inbegrip van waar nodig sancties” worden “verboden”. Dat volgt uit art. 7 aanhef en onderdeel c in combinatie met art. 2 aanhef en onderdeel b Vrouwenverdrag.
Een dringende maatschappelijke behoefte is er niet echt aan een inbreuk op de vrijheid van vereniging bij besloten verenigngen.

Ingesloten vrijheden
De opstellers merkten niets op over de vrijheid van godsdienst en meningsuiting, vrijheden die maatschappelijke en politieke verenigingen ook hebben. Maar daarover iets opmerken hoeft ook niet. Die vrijheden zitten met betrekking tot de wijze waarop niet-kerkelijke verenigingen zijn georganiseerd ingesloten in de vrijheid van vereniging. De vrijheid van vereniging is namelijk de vrijheid om je samen met anderen te organiseren op een wijze die overeenkomt met je godsdienst of mening. Deze ingeslotenheid blijkt ook uit uitspraken van het Europese hof – art. 11 EVRM is met betrekking tot niet-kerkelijke verenigingen een lex specialis van art. 9 en art. 10 EVRM.
Dus, omdat bij maatschappelijke en politieke verenigingen het recht van vrouwen op gelijke behandeling met mannen zwaarder weegt dan de vrijheid van vereniging, weegt dat recht ook zwaarder dan de vrijheid van godsdienst en meningsuiting bij maatschappelijke en politieke verenigingen.

Voorbehoud
Als de Staat vindt, dat de opstellers van het Vrouwenverdrag te veel gewicht hebben toegekend aan het recht van vrouwen op gelijke behandeling met mannen bij maatschappelijke en politieke verenigingen, dan moet de Staat een voorbehoud maken bij het verdrag. Dat heeft de Staat, als wetgever, destijds in de Goedkeuringswet bij het verdrag niet gedaan, omdat de Staat aannam, dat het verdrag de verdragsluitende Staten de mogelijkheid bood een eigen afweging van grondrechten te maken. De Staat nam dat aan na advies (p.2) van de Raad van State die nergens verwijst naar de travaux préparatoires: “Het verdrag zelf bevat immers geen bepalingen omtrent de afbakening van de werking van het non-discriminatiebeginsel ten opzichte van andere grondrechten en in andere VN-verdragen verzekerde rechten en vrijheden. Die afbakening zal derhalve door iedere staat zelf moeten worden verricht”.
De aanname van de Staat is dus met betrekking tot art. 7 aanhef en onderdeel c van het Vrouwenverdrag onhoudbaar. De Staat had een voorbehoud moeten maken om daarna dan zelf een eventueel gewenste nadere afweging van grondrechten te mogen maken (een voorbehoud houdt ook al een afweging in). Misschien kan de Staat dat voorbehoud alsnog maken na een voor de Staat negatieve uitspraak van de Hoge Raad. De Staat heeft dringende behoefte aan dat voorbehoud, want de Staat wil, als wetgever en uitvoerder, de discriminatie niet uitbannen bij de SGP, zo is gebleken in de zaak tegen de Staat over de SGP.

Trias politica
Laten we aannemen dat de Hoge Raad net als het gerechtshof toch ook oordeelt dat de Staat een afweging van grondrechten mag maken. De Staat vindt dat door het hof slechts een redelijkheidstoetsing (c. 5.6) had moeten plaatsvinden met betrekking tot de afweging die de Staat heeft gemaakt. Volgens de Staat heeft het hof meer dan dat gedaan. Zou overigens niet de juiste rechtsstatelijke opvatting en houding zijn, dat ook geen redelijkheidstoetsing moet plaatsvinden? Als de Staat, als wetgever, op grond van zijn afweging de discriminatie van vrouwen bij de SGP niet wil uitbannen, en daarom geen wettelijke maatregelen heeft willen treffen om de discriminatie uit te bannen, welk recht van spreken heeft de rechter in dat geval anders dan de rechtsplicht om de afweging van de wetgever over te nemen?

Rob Kooijman

Noot
Dit weblog-artikel is ingekort verschenen in Het Financieele Dagblad op 3 februari oder de titel “Uitsluiting vrouw door SGP onhoudbaar”.

{ 24 reacties… read them below or add one }

1 Mieke de Leeuw 16/02/2010 om 15:59

Vorig jaar schreef ik een essay voor het vak Staatsrecht over dit onderwerp. Met name viel mij bij vergelijking van de teksten in de verschillende talen op dat er soms handig gebruik kan worden gemaakt van een vrij willekeurige interpretatie van in een andere taal gestelde teksten.
Hieronder het stukje dat ik daarover schreef n.a.v. de uitspraak van de ABRvS van 5 december 2007, LJNBB9493 nr. 200609224/1.

Artikel 7 sub c wordt in samenhang met artikel 7 sub a gelezen. De Afdeling leidt uit die samenhang af dat er ruimte is voor een nadere belangenafweging door wetgever en bestuur (r.o. 2.11, vijfde al.), daar ook de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging een rol spelen. De Afdeling verwijst wel naar de bij artikel 17 VN-Vrouwenverdrag ingestelde commissie CEDAW, maar gaat er aan voorbij dat die commissie in 2001 duidelijk heeft gesteld dat er sprake is van verdragsschending. In plaats van een meer de voor de hand liggende teleologische interpretatie van de verdragstekst heeft de afdeling gekozen voor een merkwaardige grammaticale interpretatie, zoals terecht opgemerkt door Schutgens en Sillen in hun noot onder de uitspraak . De Afdeling concludeert (r.o. 2.13.1.) dat het woord ‘organisations’ dat in de Engelse tekst van art. 7 c zonder lidwoord is opgenomen de betekenis heeft van ‘sommige organisaties’. Het woord ‘women’ staat er echter ook zonder lidwoord en in gangbaar Engels worden daar vrouwen in het algemeen mee bedoeld, hetgeen dus ook voor organisaties geldt. Bovendien is het lidwoord wel opgenomen in de Italiaanse tekst ‘di participare alle organizzazioni’ en in de Franse tekst ‘participer aux organisations’ . De Duitse tekst van de aanhef van art. 7 luidt: “Die Vertragsstaaten treffen alle geeigneten Maßnahmen zur Beseitigung der Diskriminierung der Frau im politischen und öffentlichen Leben ihres Landes und gewährleisten insbesondere allen Frauen in gleicher Weise wie den Männern” [onderstrepingen toegevoegd]. Het argument van de Afdeling is dan ook taalkundig onjuist. Bovendien wordt volledig voorbijgegaan aan het woord ‘uitbannen’ in de titel van het verdrag. Dat lijkt geen ruimte te laten voor nadere belangenafweging.

Inmiddels ben ik derdejaars (binnenkort word ik 62), ik hoop volgend jaar met de masterfase te beginnen. Van beroep ben ik gerechtstolk en juridisch vertaler. Met vriendelijke groeten, Mieke de Leeuw

2 Rob Kooijman 09/03/2011 om 08:20

In mijn artikel ‘Het Vrouwenverdrag en verkiezingsdeelname’ in het tijdschrijft Openbaar Bestuur (2011, afl. 3) neem ik het standpunt in dat de afweging van de opstellers ten aanzien van de verenigingsvrijheid niet relevant is voor de kandidaatstelling in een politieke partij voor verkiezingsdeelname. Ik verwijs daarbij naar een uitspraak uit 1976 van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (de betreffende zaak werd door de Commissie niet voorgelegd aan het Europees Hof).

3 M.J. Hoogendoorn 09/03/2011 om 10:30

De door mw. De Leeuw aangehaalde uitspraak van de Raad van State past in een bestendige lijn, die zeer kort gezegd neerkomt op het primaat van de wetgever, zelfs indien de wetgever zichzelf gebonden lijkt te hebben. Het behoeft geen betoog dat dit de rechtbeschermingsfunctie van het recht niet ten goede komt.

4 Rob Kooijman 09/03/2011 om 10:51

M. J. Hoogendoorn,

Kunt u een voorbeeld van jurisprudentie geven van het primaat van de wetgever ‘zelfs indien de wetgever zichzelf gebonden lijkt te hebben’ (en ook gebonden heeft)?

5 CR 09/03/2011 om 13:01

Bij de interpretatie van verdragsteksten in verschillende taalversies moet je in de eerste plaats kijken naar de authentieke talen waarin het verdrag is gesteld; die zijn immers door de verdragspartijen op- en vastgesteld. Het Vrouwenverdrag is volgens art. 30 authentiek in Engels, Frans, Spaans, Russisch, Arabisch en Chinees. De vertalingen in het Duits of het Italiaans zijn waarschijnlijk in Duitsland en Italië gemaakt, maar zijn in ieder geval niet het produkt van de verdragspartijen zelf.
In de praktijk hebben de werktalen een nog iets hogere status dan de andere talen. Bij de VN wordt meestal gewerkt met Engels en Frans. Zijn die talenversies af, dan worden ze vertaald in de andere authentieke versies. Zie verder art. 33 van het Weens Verdrag inzake het Verdragenrecht.
Het begrip “organisations” in de Engelse tekst kan heel goed de betekenis hebben van ALLE organisaties (cursief of vet werkt hier niet), maar daarover is twijfel mogelijk. Voor de Spaanse tekst geldt hetzelfde. Het Frans is echter glashelder: dat spreekt over “participer aux organisations”. “aux” is een samentrekking van “à” en “les” en “les organisations” betekent in het Frans: alle organisaties. Anders had er “des organisations” gestaan.
Bij verschillen in taalversies moet je kiezen voor een interpretatie die in overeenstemming is met alle taalversies. Hier zou je dus moeten kiezen voor de strikter interpretatie op basis van de Franse versie.

6 Rob Kooijman 09/03/2011 om 13:59

CR,

Er is nog een (sterker?) argument. Als niet ‘alle’ organisaties op het betreffende gebied zijn bedoeld, dan voegt de verdragsbepaling niets toe aan de ‘vrijheid van vereniging’. Op grond van de vrijheid van vereniging kan eenieder samen met anderen een vereniging oprichten waar vrouwen en mannen gelijk worden behandeld.

7 M.J. Hoogendoorn 09/03/2011 om 14:53

@Rob Kooijman

Een voorbeeld is de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de asielprcedure. Je zou zeggen dat art. 33 van het het vluchtelingenverdrag en art 3 EVRM aan een vluchteling een rechtstreekse, door de rechter toetsbare claim jegens de overheid geeft. Zijn vrees voor vervolging respectievelijk wrede behandeling dient hij uiteraard te onderbouwen in zijn asielrelaas, doch een rechtreekse claim houdt m.i. in, dat de rechter ook de juistheid of geloofwaardigheid van de aan de claim ten grondslag gelegde feiten mag beoordelen. Een Nederlandse vreemdelingenrechter mag echter volgens vaste jurisprudentie, niet zelf beoordelen of het relaas van een asielzoeker geloofwaardig is of niet. Hij/zij mag slechts het oordeel van de Minister/Staatssecretaris daarover marginaal toetsen.

Een ander voorbeeld is de boete uit de Wet Arbeid en Vreemdelingen. Ook hier zou je zeggen: punitieve sanctie, dus volledige beoordeling door een rechter ex art 6 EVRM. Ook hier wordt echter, volgens vaste jurisprudentie, marginaal geoordeeld over de feiten, de boete oplegging en de hoogte van de boete.

8 Rob Kooijman 09/03/2011 om 15:16

M. J. Hoogendoorn,

Dank. Ik zie niet goed het verband met de uitspraak van de Raad van State. Zowel de wetgever, de Raad van State als de Hoge Raad is van oordeel dat de verdragsbepaling een afweging van grondrechten toestaat. Ze hebben alledrie een afweging gemaakt – en men kan zich bij de Raad van State afvragen of de Raad wel art. 7 in een juiste uitleg meeweegt. Is niet de vraag of de afweging van de wetgever door de rechter getoetst mag worden?

9 M.J. Hoogendoorn 09/03/2011 om 18:12

Wellicht heb ik iets te snel vanuit de heup (of iets daarnaast) gereageerd.

De vraag is waarom de RvS toch zo’n merkwaardige redenering hanteert. Mijn antwoord is: Omdat de RvS over het geheel genomen de neiging heeft om ruimte voor afweging door de wetgever of het bestuursorgaan te lezen, zelfs in bepalingen die ofwel een concrete afweging door een rechter impliceren, ofwel, zoals in casu, bepalingen die een reeds bij het sluiten van het verdrag gemaakte afweging inhouden. Daarbij is het veelal om het even of deze afweging in een concreet geval gemaakt wordt of reeds in een wet of beleidsregels besloten is (het reeds gegeven voorbeeld van de WAV).

In dit specifieke geval komt de RvS tot aanzienlijk meer ruimte voor het bestuur c.q. de wetgever dan de HR. De HR zegt immers: de staat schendt het verdrag door geen maatregelen te nemen (ov 4.6.1), maar de rechter kan niet het maken of veranderen van een wet opdragen.

De RvS zegt: er is in het geheel geen schending. Wegens de genoemde merkwaardige redenering hoeft de staat geen geëigende maatregelen te nemen om te zorgen dat ALLE politieke verenigingen gelijkelijk toegankelijk zijn. Zolang er maar voldoende politieke verenigingen gelijkelijk toegankelijk zijn(dit, zo stel ik mij voor, ter beoordeling aan het bestuur en slechts marginaal toetsbaar), kan de wetgever ervoor kiezen om een niet gelijkelijk toegankelijke politieke vereniging te sponsoren.

10 Rob Kooijman 09/03/2011 om 19:06

M.J. Hoogendoorn,

Dank. Het is me duidelijk. Verder dacht ik nog hieraan. Kun je niet ook stellen dat de uitspraak van de Hoge Raad “de rechtbeschermingsfunctie van het recht niet ten goede komt”? De SGP dacht op basis van de huidige wetgeving de hele tijd dat haar verenigingsvrijheid en godsdienstvrijheid het zwaarst woog. En, acht je het juridisch mogelijk/denkbaar dat de wetgever (na een parlementair debat) de afweging van de Hoge Raad – en daarmee het HR-oordeel – terzijde schuift door een eigen afweging – met andere overwegingen en belangen – ervoor in de plaats te stellen?
Tenslotte, het primaat van de wetgever is nooit in het geding in de zin dat de rechter op basis van (goedgekeurde interationale) wetgeving (en de vermeende bedoeling van de wetgever) geacht wordt recht te spreken.

11 M.J. Hoogendoorn 09/03/2011 om 20:01

Ik denk dat de uitspraak van de HR meer oog heeft voor de hierarchie van het recht. Hier staan een toch wel vrij onverbiddelijke verdragsbepaling en een recht daar tegenin gaande nationale wet tegenover elkaar. Ook de SGP had kunnen verwachten dat het verdrag voor gaat. Uiteraard is het -ook volgens de HR- aan de wetgever om te bepalen welke maatregel daartegen ‘geëigend’ is, maar financiele ondersteuning is evident niet geëigend voor het gestelde doel. Ook eventuele daarvoor in de plaats komende keuzes van de wetgever kan de HR mijns inziens inhoudelijk toetsen en afschieten, zij het dan met een losse flodder.

De enige methode voor de wetgever om het HR oordeel echt opzij te zetten is het opzeggen van het verdrag. In het andere geval is dit de interpretatie van art. 7 waarmee we het moeten doen en mag de rechter zeggen of het verdrag geschonden wordt of niet.

Daarentegen komt bij de RvS de wil van de wetgever of bestuurder vrijwel altijd bovenaan en dient de rechter van de door het bestuur gemaakte afweging af te blijven.

Op het Tenslotte: Met de kreet ‘primaat van de wetgever’ uit mijn eerste post doel ik eigenlijk op hetgeen onze oosterburen een ‘Verwaltungsstaat’ noemen, oftewel een staat waarin de uiteindelijke beslissing altijd bij de bestuurder ligt, ongeacht of dat de wetgever informele zin dan wel de door de wetgever gemachtigde uitvoerder is. Die term heeft alleen zulke onvriendelijke connotaties.

De bedoeling van de wetgever is inderdaad één van de interpretatiemethoden die een rechter ten dienste staan, maar die behoort eigenlijk pas aan de orde te komen als de tekst onduidelijk is. Op het gevaar af te drammen, maar in mijn visie legt de RvS juist eenzijdig de nadruk op deze ene interpretatiemethode.

12 Rob Kooijman 10/03/2011 om 09:00

M. J. Hoogendoorn,

Ja, art. 7 in het Vrouwenverdrag (VV) is duidelijk. Maar ook volgens de Hoge Raad is art.7 niet onverbiddelijk, want de bepaling staat ook volgens de Hoge Raad een afweging van grondrechten toe, i.c. met de verenigingsvrijheid en godsdienstvrijheid in het EVRM. Kan niet ook een andere afweging, door de wetgever, het oordeel van de HR opzij zetten? Die andere afweging zou dan andere overwegingen en belangen kennen die de doorslag geven naar de andere kant – de “pressing social need- toets’ (lid 2 art. 11 EVRM) valt dan voor de wetgever anders uit dan voor de HR. Wie heeft dan het primaat, de wetgever of de HR? En waarom?

13 M.J. Hoogendoorn 11/03/2011 om 08:47

De moeilijkheid is natuurlijk, dat art 7 categorisch zegt dat de staat iets moet doen, niet duidelijk specificeert wat. En als de staat iets doet, wie mag dan bepalen of dat een ‘geëigende maatregel’ is? De uitspraak van de HR is in dit opzicht voor tweeerlei uitleg vatbaar.

Enerzijds kan men stellen dat een rechtstreeks werkend recht altijd volle toetsing door de rechter impliceert. De verdragsbepaling gaat immers altijd voor een nationale maatregel, wat de inhoud van die nationale maatregel ook is. Het primaat van de rechter dus.

Volgens deze opvatting zal de staat een maatregel moeten nemen, maar kan zij bij het bepalen welke maatregel ‘geëigend’ is een afweging met andere rechten mogen maken. De rechter kan vervolgens in het individuele geval toetsen of een door de staat genomen maatregel voldoet aan het vedrag, meer in het bijzonder of zij ‘geëigend’ is. Dat betekent dat de rechter aan het ene uiteinde van het spectrum maatretgelen als willekeurige arrestaties niet als ‘geeigend’ zal bestempelen, terwijl de rechter, aan het andere uiteinde van het spectrum, subsidiering van de inbreuk evenmin een geëigende maatregel acht.

Anderzijds biedt de redenering van de HR enige grond voor de veronderstelling dat de uiteindelijke afweging van wat nu ‘geëigend’ is, voorbehouden is aan de wetgever. De HR zegt immers niet letterlijk dat de maatregel van subsidiering van de inbreuk niet ‘geëigend’ is, maar stelt dat de staat in het geheel geen maatregel genomen heeft. Dat laat ruimte voor de veronderstelling dat een enkele overheidsmaatregel voldoende zou zijn en dat de rechter verder dient te zwijgen over de daarbij gemaakte afweging. Dat zou de rechtstreekse werking van de verdragsbepaling wel uithollen, omdat er van individuele toetsing door de rechter geen sprake meer is.

14 Rob Kooijman 11/03/2011 om 10:48

M. J. Hoogendoorn,

De moeilijkheid met art. 7 is, volgens de HR, RvS, de wetgever en de SGP maar niet ‘Clara Wichmann’, dat art.7 een afweging met andere grondrechten toestaat. Volgens mij sla je dat geheel over.

Als je schrijft: “Volgens deze opvatting zal de staat een maatregel moeten nemen, maar kan zij bij het bepalen welke maatregel ‘geëigend’ is een afweging met andere rechten mogen maken”, dan ga je aan die moeilijkheid voorbij. Je legt het afwegingsmoment dan te laat. Immers, de afweging van grondrechten kan nu juist betekenen dat geen enkele maatregel genomen moet worden, omdat andere grondrechten zwaarder wegen.

15 M.J. Hoogendoorn 11/03/2011 om 11:57

In overweging 4.6.1 van het arrest lees ik toch echt dat “de Staat zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij op grond van de door hem verrichte afweging ervan heeft mogen afzien maatregelen te treffen tegen het niet toelaten door de SGP van vrouwen op de kandidatenlijsten voor de algemeen vertegenwoordigende organen.”

De afweging van de staat waar de HR op doelt is het standpunt van de staat “dat de bestaande wetgeving reeds voldoende mogelijkheden biedt om discriminatie van vrouwen tegen te gaan, dat het verbod van discriminatie van vrouwen moet worden afgewogen tegen de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, en dat die afweging, waarbij de Staat een zekere beleidsvrijheid heeft, ertoe heeft geleid dat de Staat heeft besloten en ook mocht besluiten niet tegen de SGP op te treden, zulks gelet op de rol van politieke partijen in het democratische bestel.” (ov 4.2.4)

Niets doen is dus geen optie.

16 Rob Kooijman 11/03/2011 om 14:14

Wat je in overweging 4.6.1 van het arrest leest, is na de afweging van grondrechten door de HR. De HR heeft de afweging van de Staat (de wetgever?) getoetst aan de eigen afweging, en vervolgens heeft de HR de afweging van de Staat terzijde geschoven.

Kan de wetgever, na een nieuwe eigen afweging, de afweging van de HR terzijde schuiven? Waarom (niet)?

17 Rob Kooijman 11/03/2011 om 16:19

p.s.

Dit verduidelijkt ook:

“4.5.1 (..) Op dit punt laat het Vrouwenverdrag de Staat geen beleidsvrijheid.
4.5.2 Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat het grondrecht op gelijke behandeling van vrouwen, zoals neergelegd in onder andere art. 7 Vrouwenverdrag, in een specifiek geval in botsing kan komen met andere, evenzeer zwaarwegende grondrechten zoals de vrijheid van godsdienst en van vereniging, en dat dan moet worden afgewogen aan welke van die grondrechten voorrang moet worden gegeven. Anders dan Clara Wichmann c.s. verdedigen bestaat er geen grond om aan te nemen dat die afweging reeds op voorhand in art. 7 Vrouwenverdrag is verricht.
Het standpunt van de Staat en van de SGP doet dan ook de vraag rijzen of een uitzondering op de door art. 7 Vrouwenverdrag gewaarborgde gelijke rechten voor vrouwen met betrekking tot passief kiesrecht kan worden aanvaard in een geval als het onderhavige, waarin een politieke partij wier politieke streven is gegrondvest op haar godsdienstige overtuiging, op grond van deze overtuiging vrouwen niet toelaat tot de kandidaatstelling voor verkiezingen voor openbaar gekozen lichamen.”

Volgens de HR moet die vraag, op grond van de eigen afweging van de HR, ontkennend worden beantwoord. Daarmee schuift de HR de afweging van de Staat (de wetgever volgens mij hier, die geen wet heeft aangenomen om de gewraakte discriminatie effectief te beëindigen) ter zijde.

18 M.J. Hoogendoorn 12/03/2011 om 06:01

Laat ons deze mug wel genuanceerd ziften. De HR heeft de grondrechtern van de SGP -horizontaal- afgewogen en geconcludeerd dat een uitzondering op grond van die grondrechten niet kan worden aanvaard. De staat bezit geen beleidsvrijheid en kan dus niet op grond van een eigen afweging besluiten om toch niets te doen.

De staat moet dus ‘iets’ doen. Zodra de staat iets gedaan heeft, kan iedereen die goesting heeft aan procederen daar weer zijn grondrechtenplasje overheen doen, en zal de rechter zal e.e.a. weer zelf afwegen.

19 Rob Kooijman 12/03/2011 om 12:09

De HR heeft de eigen afweging in plaats gesteld van die van de Staat, kennelijk omdat het de eigen afweging redelijker vindt.

Wat jij zegt is gemakkelijer gezegd dan onderbouwd: “De staat bezit geen beleidsvrijheid en kan dus niet op grond van een eigen afweging besluiten om toch niets te doen.” Als je uitgaat van het primaat van de afweging van de HR dan klopt dat.

Maar waarom mag de wetgever niet op grond van een eigen nieuwe afweging de afweging van de HR ter zijde schuiven, omdat het die eigen nieuwe afweging redelijker vindt dan die van de HR? Wie is hier de baas? De HR of de wetgever? Met rechtszekerheid heeft het allemaal niet van doen. Immers, een afweging kan per definitie ook een andere kant op vallen. Die van de HR had dat ook.

20 M.J. Hoogendoorn 14/03/2011 om 12:04

Dat grondrechten voor rechtstreekse toepassing vatbare rechten zijn waarvan de eerbiediging voor een rechter kunnen worden afgedwongen lijkt mij geen heel exotische gedachte. Het lijkt mij ook de gedachte achter art 94 Grondwet.

Dat artikel zou de wetgever natuurlijk kunnen veranderen, of men zou het verdrag kunnen opzeggen. Het punt is dat je het niet allebei kunt hebben: een rechtstreeks tegen de wetgever inroepbaar recht, maar waarvan de afweging uiteindelijk is voorbehouden aan de wetgever.

Het navolgende is wellicht wel slechts een mening, maar ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming lijkt het mij beter dat een rechter fundamentele rechten afweegt dan dat men die verantwoordelijkheid bij de wetgever legt -vaak toch juist degene die de putatieve inbreuk maakt.

21 Rob Kooijman 14/03/2011 om 12:41

M. J. Hoogendoorn,

Ook de verenigingsvrijheid en godsdienstvrijheid EVRM zijn voor rechtstreekse toepassing vatbare rechten zijn waarvan de eerbiediging voor een rechter kunnen worden afgedwongen. De SGP deed dit dan ook bij de HR. Dus art.94 Gw is wat dat betreft geen relevant argument.

Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming had, in principe, de afweging ook de andere kant op kunnen vallen, temeer nu juist de wetgever niet de inbreuk pleegt, maar de SGP (op grond van de afweging pleegt de Staat pas inbreuk door niets te doen).

Laat ik het scherp stellen: tot nu toe heb ik geen relevant, laat steekhoudend argument gehoord waarom de wetgever de afweging van de HR, in dit geval althans, niet ter zijde kan schuiven met een eigen afweging door nieuwe belangen en overwegingen in de afweging op te nemen.

22 Rob 14/03/2011 om 16:14

n.b. Misschien komt mijn punt hierop neer: zolang er door de wetgever geen wet is aangenomen die inhoudt dat de afweging van de HR doorslaggevend is, staat de wetgever geen wet in de weg om de afweging van de HR terzijde te schuiven met een eigen afweging (of het moet ongeschreven recht zijn dat de afweging van de HR doorslaggevend is.)

23 M.J. Hoogendoorn 15/03/2011 om 05:42

Ik vraag mij af at u precies bedoelt met ‘de afweging van de HR opzij zetten’. Als u bedoelt dat de wetgever simpelweg bij wet kan bepalen dat hij, na zorgvuldige afweging, niets doet, lijkt mij dat een kandidaat voor buiten werkingstelling op grond van art 94 Grondwet omdat het in strijd is met een eenieder verbindende verdragsbepaling.

Als u bedoelt waarop de rechter baseert dat hij volgens het recht (dus niet, zoals art 11 Wet Algemene bepalingen suggereert, slechts de wet) moet rechtspreken en zelfs de wetgever mag tegenspreken, dan kan ik slechts wijzen naar ruim 90 jaar rechtsontwikkeling, rekenend vanaf HR 03-03-1919, NJ 1919, 371. Er bestaat bij mijn weten geen met art 13 EVRM vergelijkbare nationale bepaling. Naar huidig recht is simpelweg aanvaard dat de rechter rechtstreeks werkende verdragsbepalingen, waaronder grondrechten, rechtstreeks toepast. Als men dat gegeven aanvaardt, valt bezwaarlijk in te zien hoe de wetgever dat met een gewone nationale wet opzij kan zetten.

Met de opvatting dat wetten onschendbaar zijn bevindt u zich in goed, zij het bedaagd gezelschap, namelijk dat van wetgever die in 1829 de Wet Algemene Bepalingen uitvaardigde en de grondwetgever van 1848 (Ik zou alleen wel controleren waar toch die merkwaardige geur vandaan komt). Naar de gangbare huidige opvattingen over de rechtsstaat, en ook de mijne, is een wetgever die zelf bepaalt of hij aan burgers gegarandeerde grondrechten schendt, echter iets te veel de slager die zijn eigen vlees keurt.

24 Rob 15/03/2011 om 07:37

Even tussendoor, als de HR de afweging van grondrechten in het voordeel van de SGP, en daarmee in het voordeel van de Staat (ien hoeft dan niets te doen), had laten uitvallen, mag de wetgever die afweging dan ook niet ter zijde schuiven met een in zijn ogen redelijkere afweging die uitvalt in het nadeel van de SGP?

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: