Wederrechtelijkheid bij het Kraakverbod II

door PJK op 25/10/2010

in strafrecht

Een aantal weken geleden beschreef ik op dit blog een aantal haken en ogen van de ‘Wet kraken en leegstand’. En wat is er mooier dan je quasi-academische hersenspinsels vervolgens getoetst zien worden door de voorzieningenrechter! Afgelopen week deed de Amsterdamse voorzieningenrecht uitspraak in een kort geding van (kunst)collectief ‘Schijnheilig’ waarin ondermeer werd aangevoerd dat art. 551a Sv. weliswaar een bevoegdheid tot binnentreden geeft, maar niet tot ontruimen zolang de wederrechtelijkheid niet is bewezen.

Laten we eens kijken hoe de voorzieningenrechter de vordering (en dus indirect mijn analyse op het blog) beoordeeld:

4.5 (..) Eisers baseren hun stelling op taalkundige en wetssystematische interpretatie van artikel 551a Sv., waarbij zij aanvoeren dat voor het uitoefenen van de binnentredingsbevoegdheid een verdenking van wederrechtelijkheid volstaat, terwijl de bevoegdheid tot ontruiming alleen bestaat ten aanzien van hen die wederrechtelijk in een gebouw verblijven.

De Staat “meent dat de ontruimingsbevoegdheid niet moet worden opgevat als een strafvorderlijk dwangmiddel maar als een bijzondere bevoegdheid tot het beëindigen van een strafbare toestand welke, in het kader van de handhaving van de rechtsorde, het recht van parate executie geeft” en beroept zich daarbij op de totstandkomingsgeschiedenis van de wet.

En wat vindt de voorzieningenrechter hiervan? In twee hele zinnen worden de taalkundige en wetssystematische argumenten ongemotiveerd verworpen en wordt de totstandkomingsgeschiedenis tot heilige wetsuitleg verheven:

4.11.  Gelet op de wijziging van de tekst van artikel 551a Sv. met de daarop gegeven toelichting, alsmede op de beantwoording van vragen daaromtrent in de Eerste Kamer, moet worden geoordeeld dat de wetgever heeft beoogd ontruimingsbevoegdheid van kraakpanden toe te kennen aan opsporingsambtenaren, zonder dat sprake hoeft te zijn van bewezenverklaring van de wederrechtelijkheid van het verblijf door de strafrechter. De stelling van eisers dat artikel 551a Sv. als zodanig geen toereikende bevoegdheid verleent voor de door de Staat voorgenomen ontruiming van het HES-gebouw wordt derhalve verworpen.

Daar ga je dan, met je quasi-academische analyse!

Is er nog wat te zeuren? Ja, er is nog wat te zeuren:

De procedure loopt weliswaar bij de voorzieningenrechter maar dit is naar mijn smaak wel erg dunnetjes gemotiveerd. Laten we even doorredeneren.

Stel, de regering neemt in het Wetboek van Strafvordering op: een persoon kan worden aangehouden als deze een lichtpaarse onderrok draagt. In de memorie van toelichting staat echter: Hiermee bedoelen we eigenlijk een boerka!

Zou de totstandkomingsgeschiedenis hier de doorslag geven? Zou de voorzieningenrechter de aanhouding van de drager van een boerka goedkeuren? Of zou de rechter enige betekenis toekennen aan artikel 1 Sv: Strafvordeing heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. Ik denk dat de rechter een dergelijke aanhouding niet zou goedkeuren. Natuurlijk is het een ridicuul voorbeeld, maar als in die zaak de taalkundige interpretatie wel doorslaggevend zou zijn, kan naar mening in de onderhavige zaak de taalkundige interpretie niet ongemotiveerd afgewezen worden.

Maar mijn analyse is natuurlijk niet onpartijdig. Ik heb namelijk wel eens bij Schijnheilig gegeten…

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: