Wel een blowverbod? Geen blowverbod?

door GB op 15/07/2011

in Bestuursrecht, Decentralisatie, Rechtspraak

Het gaat de goede kant op met de dialoog in Nederland. De nieuwste casus speelt in Heerlen. Heerlen heeft in zijn APV een verbod op drugsgebruik in het openbaar opgenomen (artikel 3:2a) terwijl de Raad van State dat verboden zou hebben. De teksten vanuit Heerlen zijn alvast veelbelovend: ‘We leggen ons niet bij de eerste de beste uitspraak neer.’ En: ‘De Raad van State heeft een andere mening dan wij willen, maar als je het accent legt op overlast, oordelen ze misschien anders’, aldus de Stadspartij.

Hoe zit het precies? De uitspraak van de Raad van State had betrekking op de weigering van Cohen om op een speelplaatsje een blowverbod in te stellen. Daarvoor was het nog te vroeg, oordeelde hij. In bezwaar en beroep hield die beslissing stand, waarna de Raad van State zich afvroeg of de bevoegdheid om een plaatselijk blowverbod in te stellen, zoals die is opgenomen in de APV van Amsterdam, wel toegestaan is. De Opiumwet verbiedt het gebruik van softdrugs immers al, gedogen maakt dat niet anders. De Afdeling is buitengewoon helder: ‘Voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die deze voorschriften uit de Opiumwet dupliceren bestaat, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte.’ De Afdeling doet de zaak daarmee waarschijnlijk niet op de meest minimalistische manier af, maar duidelijk is het standpunt wel.

Moet Heerlen zich hier wat aan gelegen laten liggen, zoals de Gemeente Barneveld al wel deed? Anders dan een besluit van de burgemeester om een plaatselijk blowverbod in te stellen, kunnen algemeen verbindende voorschriften, zoals het Heerlense algemene blowverbod, de Afdeling nooit rechtstreeks bereiken (artikel 8:2 sub a Awb verbiedt dat).  Dat betekent dat de Afdeling nooit in de gelegenheid zal zijn de APV van Heerlen te vernietigen. In die zin heeft Heerlen dus niets van de Afdeling te vrezen. Alleen als de Regering besluit de APV te vernietigen, zou de Raad van State weer in beeld komen.

Anders ligt dat bij de strafrechter en de civiele rechter. De strafrechter zal ongetwijfeld dezelfde vraag voorgelegd krijgen als de eerste boetes zijn uitgedeeld (gesteld dat er toch gehandhaafd wordt), en als dat te lang duurt valt te verwachten dat de coffeeshops bij de civiele rechter buiten-werking-stelling van het Heerlense blowverbod gaan vorderen.  De vraag is dan hoeveel ruimte de straf- en civiele rechter hebben om van het standpunt van de Afdeling af te wijken. Er bestaan zogenaamde volgplichten voor zowel de strafrechter als de civiele rechter ten aanzien van een door de hoogste bestuursrechter uitgesproken onverbindendheidsoordeel. Dat is ook wel logisch, omdat het anders wel erg onoverzichtelijk wordt.

Toch gaan die volgplichten niet zonder meer op. Er ligt namelijk geen oordeel over de verbindendheid van de bepaling uit de APV van Heerlen. Er ligt alleen een motivering van zo’n oordeel ten aanzien van de Amsterdams APV, die zich zonder veel moeite ook uitstrekt naar de bepaling uit Heerlen. Achten de strafrechter en de civiele rechter zich daar ook aan gebonden? Ik vermoed van wel. Voor een standpunt over uitputtendheid van de Opiumwet geldt ongeveer hetzelfde als voor de verbindendheid.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 MN 16/07/2011 om 08:29

Is het wel waar dat de Afdeling nooit in de gelegenheid zal zijn de Heerlense APV te vernietigen? Toegegeven, een uitspraak waarin dat als dictum is opgenomen is gelet op 8:2 Awb niet mogelijk. Maar van belang lijkt me hoe de blowverboden worden gehandhaafd. Voor zover dat met bestuurlijke boetes gaat, kan de verbindendheid van de APV-bepaling aan de orde komen in een exceptief verweer tegen het boetebesluit. Afgaande op de door GB gesignaleerde beslistheid van de Afdeling hoeven we weinig illusies te hebben over wat de Afdeling in zo’n geval zal doen. Het materiële gevolg van zo’n beroep zal dan ook zijn dat het blowverbod als een nachtkaarsje uit gaat.
Over die volgplicht van de civiele rechter en de strafrechter: een opvallende passage in de uitspraak van de Afdeling lijkt mij de verwijzing naar wat de Hoge Raad als strafrechter heeft gezegd over het verband tussen het gebruiken en het voorhanden hebben van softdrugs. Ik heb de indruk dat die verwijzing niet strikt noodzakelijk was. Zou de Afdeling hier een lijntje (!) uitzetten voor de civiele en de strafrechter?

2 Martin Holterman 16/07/2011 om 14:44

Toen ik in het Engels over deze uitspraak nadacht (http://martinned.blogspot.com/2011/07/banning-something-illegal.html), vroeg ik me af wat nou eigenlijk de onderliggende regel is. Als de Amsterdamse regel volstrekt in lijn is met de wet, hoe kan ze dan illegaal zijn? Het is een ander verhaal als een gemeente iets gaat verbieden wat de wet expliciet toestaat, maar dat is hier – per RvS – niet het geval. Of is de achterliggende gedachte dat de gemeente niet het recht heeft om het gedoogbeleid van de regering te overrulen? Maar waarom heeft de Raad dat dan niet gezegd?

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: