Wetsvoorstel minimumstraffen

door Ingezonden op 29/03/2011

in strafrecht

Post image for Wetsvoorstel minimumstraffen

Afgelopen week stuurde minister Opstelten van Veiligheid en Justitie het langverwachte wetsvoorstel naar de Tweede Kamer inzake de invoering van minimumstraffen voor recidiverende misdadigers. Daarnaast heeft de minister de Kamer laten weten de mogelijkheden te onderzoeken om alcohol- en drugsgebruik als strafverzwarende omstandigheid bij geweldsdelicten wettelijk te verankeren. De verharding van het Nederlandse strafklimaat lijkt met het wetsvoorstel een nieuwe fase in te gaan. Waar komt het wetsvoorstel in het kort op neer?

Het voorstel beoogt de samenleving in het geheel en het slachtoffer in het bijzonder te beschermen tegen recidiverende misdadigers. Dit strafdoel staat nadrukkelijk centraal. Indien een persoon binnen 10 jaar na een onherroepelijke veroordeling voor een delict waar minimaal 12 jaar gevangenisstraf op is gesteld opnieuw de fout ingaat, dan is de recidiveregeling van toepassing. In de fout gaan wil in dit verband zeggen: opnieuw een misdrijf plegen waarop 12 jaar gevangenisstraf of meer is gesteld. Bijkomende voorwaarde: het misdrijf moet een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer hebben gemaakt. Hierbij kan men denken aan iemand die terecht staat wegens verkrachting (art. 242 Sr, maximale gevangenisstraf: 12 jaar) terwijl deze persoon recent veroordeeld is wegens diefstal waarbij zodanig geweld is gebruikt dat iemand is overleden (art. 312 lid 3 Sr, maximale gevangenisstraf: 15 jaar). Indien de rechter de verkrachting bewezen verklaart en geen strafuitsluitingsgronden aanwezig acht, dan dient hij, volgens het wetsvoorstel, minimaal de helft van de maximale straf op te leggen. Dat is in dit geval dus minimaal 6 jaar gevangenisstraf.

Dat het Opstelten niet primair te doen lijkt te zijn om het terugdringen van recidive, blijkt uit aangehaald onderzoek in de Memorie van Toelichting: in de ons omringende landen waar met minimumstraffen wordt gewerkt blijkt dit niet te leiden tot terugdringing van de recidive. Nadrukkelijk wordt de beveiliging van de samenleving als uitgangspunt voor straftoemeting genomen, kennelijk met de gedachte dat wanneer iemand gedetineerd is hij geen strafbare feiten kan plegen. Dat is op zichzelf juist (denk aan de ISD-maatregel en veelplegers), maar gaat voorbij aan de vraag wat er met iemand gebeurt als hij na langdurige detentie op straat wordt gezet: is er adequate begeleiding om hem van recidive te weerhouden?

Naast verharding van het strafklimaat leidt het wetsvoorstel ook tot een beperking van de rechterlijke straftoemetingsvrijheid. Hoewel het kabinet spreekt over de wetgever die ‘zijn eigen verantwoordelijkheid voor een rechtvaardige sanctietoepassing waar wil maken’, lijkt het voorstel toch vooral bedoeld om de rechter wat de sanctieoplegging betreft aan banden te leggen. Dit blijkt met name uit de beperkte mogelijkheden van de rechter om in het individuele geval af te kunnen wijken van de minimumstraf die de wet voorschrijft. Het rechterlijk pardon (art. 9a Sr.) wordt afgeschaft voor recidiverende misdadigers. Dit ontneemt de rechter een belangrijk instrument om in het individuele geval van strafoplegging af te zien wegens, kort gezegd, de persoonlijke omstandigheden van de dader. Slechts in één geval kan de rechter onder het opleggen van de minimumstraf uitkomen: indien zich ten tijde of na het begaan van het misdrijf uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die, indien de minimumstraf zou worden opgelegd, zouden leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard. Uit de formulering blijkt al dat het hier dient te gaan om uitzonderlijke omstandigheden. Het signaal is helder: de rechter mag slechts in zeldzame gevallen gebruik maken van deze matigingsbevoegdheid. Dit wordt in de MvT nog eens onderstreept:

Daarbij zij nogmaals benadrukt dat artikel 43c Sr [de minimumstraf, KV] de algemene regel betreft en de toepassing van artikel 43d Sr [de matigingsbevoegdheid, KV] uitsluitend gereserveerd is voor de zeer uitzonderlijke gevallen waarin zelfs het opleggen van de minimumstraf onbillijk zou zijn.

Overigens kan de rechter nog op een andere wijze de straftoemeting beïnvloeden, namelijk via de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing. Als, zoals het wetsvoorstel beoogt, bij een bepaald delict automatisch een bepaald minimum moet worden opgelegd dan zouden rechters geneigd kunnen zijn daar bij de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing rekening mee te houden. Stel dat een recidivist terecht staat wegens zware mishandeling met voorbedachten rade de dood tengevolge hebbend. De maximumstraf is 15 jaar (art. 303 lid 2 Sr), waardoor na een bewezenverklaring en kwalificatie een minimumstraf van 7,5 jaar opgelegd te worden. Indien de rechter dit om wat voor reden dan ook een te hoge straf vindt, maar geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig acht om van zijn matigingsbevoegdheid gebruik te kunnen maken, dan zou hij hogere eisen kunnen gaan stellen aan het bestanddeel voorbedachten rade. Als dat bestanddeel namelijk wegvalt, bedraagt de maximumstraf 10 jaar (art. 302 lid 2 Sr), waardoor de minimumstrafregeling niet van toepassing is. Dit, op zijn beurt, zal er toe leiden dat rechters uitvoeriger gaan motiveren wat de reikwijdte van een bepaald bestanddeel is. Dit neveneffect, dat het kabinet vast niet voor ogen heeft gestaan, zou dan een positieve bijdrage leveren aan het verbeteren van de motivering van strafvonnissen. Dit steekt echter wel schril af bij de inperking van de rechterlijke autonomie die het kabinet voorstaat.

Koen Vriend, docent Strafrecht UvA

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: