Wilders’ juridische procedure tegen de Staat

door GB op 17/05/2012

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Wilders’ juridische procedure tegen de Staat

Het parlementaire staatsrecht moet het zonder veel noemenswaardige jurisprudentie stellen. Daarom storten we ons met graagte op bouwwerken die het Bundesverfassungsgericht met enige regelmaat optrekt over het Verdrag van Lissabon of op het Supreme Court als dat bepaalt wie de president van het machtigste land van de wereld moet worden. Het Nederlandse stelsel steunt traditioneel veel meer op de politieke handhaving van de spelregels. Toch gebeurt er ook in de Nederlandse jurisprudentie wel eens wat. De civiele rechter is er in de loop der tijd een winkeltje in overheidsaansprakelijkheid bij gaan runnen, en daar gebeuren met enige regelmaat staatsrechtelijk interessante dingen. Zoals nu. Wilders wil via een kort geding bereiken dat het Noodfonds-Verdrag over de verkiezingen wordt heengetild. ‘Uniek in de parlementaire geschiedenis,’ meldt hij er zelf maar even bij.

Dat zal allicht opgaan voor heel wat aspecten van deze zaak. Maar niet voor alle. In 1974 werd de Haagse rechtbankpresident gevraagd te bevelen dat een voorstel om drinkwater te fluorideren werd ingetrokken. Hij wees de mogelijkheid van zo’n bevel resoluut af, omdat dit onverenigbaar was met het staatsrechtelijk bestel. Als argumenten noemde hij de wetgevende functie die bij regering en parlement ligt, het doorgaans negatieve karakter van de uitspraakbevoegdheden van de rechter (buiten toepassing laten e.d.) en de belangen van niet bij deze procedure betrokken derden. Met exact dezelfde argumenten timmerde de Hoge Raad nog niet zo lang geleden de deur naar wetgevingsbevelen stevig dicht, en houdt hij die gesloten voor alles wat erbij in de buurt komt.

De Haarlemse president (die nog wel bereid was om een bevel tot wetgeving aan de Haarlemse gemeenteraad te geven) weigerde ook om te gebieden dat de behandeling van het zogenaamde Schipholwetje vertraagd werd met het oog op de zorgvuldigheid van de procedure. Zijn argumentatie was fundamenteler. De gevraagde toetsing aan parlementaire spelregels betrof een domein waar de rechter niet thuis hoort en dus kon het voor een bevel benodigde oordeel over de (voorlopige) onrechtmatigheid niet geveld worden. De Haarlemse rechter liet nog wel een deurtje open staan: in ‘extreme omstandigheden, die zich hier niet voordoen’ zou een ander oordeel denkbaar zijn. Daar zal mr. Bram ongetwijfeld een beroep op doen. Veel zal het niet helpen. Want ook de Haarlemse benadering heeft vrij recente steun van de Hoge Raad: in het Tegelen-arrest rekte de Hoge Raad het toetsingsverbod op tot de onschendbaarheid van wetsvoorstellen. Een van de argumenten was, dat als een rechter de gang van een wetsvoorstel zou toetsen aan procedurevoorschriften, hij het oordeel daarover in feite aan de wetgever onttrok. En dat mag niet in de Nederlandse staatrechtelijke verhoudingen. Ook de deur naar het onrechtmatigheidsoordeel zit dus stevig dicht getimmerd.

Wilders enige hoop moet een stunt van rechter Paris zijn. Staatsrechtgeleerden zitten in ieder geval klaar.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: