Winkelen op zondag

door GB op 23/06/2010

in Bestuursrecht, Haagse vierkante kilometer, Rechtspraak

Post image for Winkelen op zondag

Sinds het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) afrekende met het inmiddels ingeburgerde royale gebruik van het begrip ‘toerisme’ in de Winkeltijdenwet, blijft de kwestie zich maar vertakken in ingewikkelde jurisprudentie. De casus Amsterdam is op dit blog al uitgebreid aan de orde geweest, maar ook in Rotterdam wordt het nu interessant. Daar besloot de raad eind vorig jaar om Alexandrium tot toeristisch gebied en dus elke zondag open te verklaren.

Ook hier gingen ondernemers naar de civiele rechter, en ook deze veegde, met de definitie van het CBB in de hand, de stelling dat Alexandrium iets met toerisme te maken heeft van tafel. Een enkele discotheek maakt dat niet anders. Nadat de voorzieningenrechter onverbindendheid heeft geconstateerd wordt het interessant. Gevorderd was een ‘buitenwerkingstelling’, maar de voorzieningenrechter wil daar niet in meegaan. Dat lijkt de voorzieningenrechter echter geen zinvolle actie. Een civiele uitspraak, en dus de ‘buitenwerkingstelling’ werkt alleen tussen de partijen die hem gevraagd hebben. In dit geval zijn dat de winkeliers die juist niet op zondag open willen. Eigenlijk willen ze dat de gemeente veroordeeld wordt om de vrijstelling jegens hun collega’s buiten toepassing te laten, en de hoofdregel uit de Winkeltijdenwet te handhaven. Dat kunnen de procederende winkeliers op deze manier echter niet bereiken, zodat reeds hierom de vordering strandt. Daaraan wordt toegevoegd:

Hoewel van de Gemeente Rotterdam verwacht mag worden dat zij zich het nodige gelegen laat liggen aan het feit dat de Verordening door de rechter onverbindend wordt geacht en aldus maatregelen treft om aan die situatie een einde te maken, kan er thans niet van uitgegaan worden dat de Gemeente Rotterdam op korte termijn tot het nemen van die maatregelen overgaat. De winkeliers die in deze geen partij zijn en juist op zondag open willen, zouden bovendien met een beroep op de Verordening op goede gronden de Gemeente Rotterdam kunnen aanspreken tot het in acht nemen van haar eigen regelgeving.

Het is mij niet helemaal duidelijk waarom de rechter hier nu zo terugdeinst. Schutgens oppert in zijn proefschrift dat de rechter er misschien niet van houdt om de overheid te bewegen tot belastend optreden jegens derden, en dat om die reden het wetgevingsbevel twee keer strandde. Dat zou ook hier aan de orde kunnen zijn. Misschien zal een en ander duidelijker worden in het hoger beroep dat is aangetekend.

Ondertussen kozen ze in Capelle aan de IJssel, waar ‘Woonboulevard CapelleXL’ praktisch naast het Alexandrium ligt, voor een andere oplossing: een gedoogbeschikking. De tegenstanders daarvan komen bij het CBB zelf terecht. Capelle voert aan dat de meubelboeren in Rotterdam van de civiele rechter wel open mogen zijn. Maar daar is het CBB niet van onder de indruk: ‘Weliswaar moet worden erkend dat de betrokken ondernemers in de gemeente Capelle aan den IJssel grote financiële belangen hebben bij gelijkstelling met de algehele zondagsopenstelling van winkelcentrum Alexandrium. Niettemin kunnen die financiële belangen er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toe leiden dat overtreding van de Winkeltijdenwet voor een onbeperkte periode wordt toegelaten.’ Gevolgd door een schorsing van de gedoogbeschikking.

Inmiddels hebben Van der Ham en Van Gent een poging gedaan om de rechter uit zijn lijden te verlossen door een wetsvoorstel aanhangig te maken waarin de vrijheid aan gemeenten wordt gelaten. In de memorie van toelichting gaat het telkens over de onduidelijkheid van de toerismebepaling. Dat lijkt me echter onzin. Sinds de uitspraak van het CBB is er helemaal niet zoveel onduidelijkheid meer.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 JU 24/06/2010 om 14:06

Curieuze uitspraak. De civilisten onder ons zullen beamen dat de buitenwerkingstelling inderdaad alleen tussen partijen werkt (LSV/Staat), maar dat staat er toch niet aan in de weg dat het voorwerp van de buitenwerkingstelling kan zijn dat niemand zijn winkel mag openen en dat de gemeente daar op toeziet? Met andere woorden: de gemeente wordt door de rechter verplicht de Winkeltijdenwet jegens een ieder te handhaven, zij het dat die opdracht, strikt genomen, alleen door Bedding c.s. kan worden afgedwongen. Te menen dat Bedding geen belang heeft bij een buitenwerkingstelling omdat die toch alleen maar werkt jegens hemzelf is toch een beetje een wereldvreemde stelling lijkt me. De voorzieningenrechter lijkt dat zelf ook wel in te zien, want hij slaat vervolgens wel gewoon aan het belangenafwegen, als had eiser wèl gewoon belang bij de buitenwerkingstelling. Kortom een uitspraak om een licht draaierig van te worden.

Zat mij overigens nog af te vragen of niet al te snel door de voorzieningenrechter wordt aangenomen dat het hier om een algemeen verbindend voorschrift gaat. Ben geen expert en heb er evenmin lang over nagedacht, maar mij lijkt artikel 14a van de verorderning, dat ruwweg alleen maar zegt dat bepaalde plekken op gezette tijden van de Winkeltijdenwet zijn uitgezonderd, toch eerder een overig besluit van algemene strekking. Weet iemand het beter?

2 GB 24/06/2010 om 16:00

Misschien vormt de – eveneens cryptische – overweging dat de winkeliers die wel op zondag open willen zijn ‘op goede gronden’ de gemeente Rotterdam kunnen aanspreken op het naleven van zijn eigen verordening een sleutel? In die zin dat als zij open zijn, en ze een aangepakt worden, zij zich kunnen gaan beroepen op de nog niet ingetrokken regeling? Wie weet vindt de voorzieningenrechter dat er dan een soort permanente verschoonbare rechtsdwaling ontstaat…

3 JU 24/06/2010 om 17:21

Ja ik begrijp wat je bedoelt. Zou heel goed kunnen. Maar dat is dan toch vooral een kwestie tussen gemeente en openingsgrage winkelier. Die zou misschien een grond hebben de gemeente aan te spreken op onrechtmatig – want verwarring stichtend – handelen. Daar heeft de eiser in deze procedure niets mee te maken. Die mag van de gemeente eerst maar eens vragen om de onverbindende verordening niet toe te passen en daarmee de wet dus wel te handhaven. Ik zou me kunnen voorstellen dat bij dat handhaven, de verwijtbaarheid van de gemeente een rol speelt, bijvoorbeeld bij het bepalen van de hoogte van een boete o.i.d. Maar helemaal niet handhaven is wat al te veel meegedacht van de rechter. Hij lijkt Lubbers wel: “‘zal ‘k even met je meedenken?”…

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: