Zambrano v. McCarthy

door RdG op 05/05/2011

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

Eerder werd op dit blog al verslag gedaan van het lang verwachte HvJ-arrest Zambrano. In die zaak zagen de kinderen van Ruiz Zambrano, EU-burgers Diego en Jessica, zichzelf geconfronteerd met een klassiek geval van reverse discrimination.

Een beroep op het (veelal) gunstiger Europees recht (EU-burgerschap, art. 20 VWEU) staat namelijk slechts open voor hen die gebruik maken of hebben gemaakt van hun vrijheden van verkeer (bijv. vrij verkeer van personen). Dit is cruciaal voor het beschermen van de werking van de interne markt tegen beperkende bepalingen van nationaal recht.

Interne situaties worden echter wel beslist naar nationaal recht, uiteraard onder invloed van Europees recht en in overeenstemming met het EVRM, maar zonder direct beroep op het VWEU. Belgie mag haar eigen onderdanen dus ongunstiger behandelen dan andere EU-burgers die in Belgie verblijven.

Maar wanneer is een situatie niet langer intern? Zou een direct beroep op het EU-burgerschap mogelijk moeten zijn voor iedere EU-burger, of alleen de economisch actieve? Met de introductie van het EU-burgerschap via het Verdrag van Maastricht in 1993 werden ook andere niet-economische rechten erkend. Het leidde A-G Jacobs al in 1994 tot de verwachting dat ‘citizens of the Union will enjoy equality, at least before Community law’ (Case C-91/92 [1994] ECR I-3325) en A-G Colomer meende dat het burgerschap een ‘considerable qualitative step forward’ betekende (C-65/95 en C-111/95 [1997] ECR I-3343).

Het instellen van het EU-burgerschap en de formele realisatie van de interne markt tijdens de jaren 90 dwingen inmiddels volgens Alina Tryfonidou (University of Leicester) tot het aanpakken van reverse discrimination:

‘[T]hose developments have tilted the balance against reverse discrimination and have created a new reality for the Community which, as a result, will sooner or later have to provide a solution to the problem of reverse discrimination.’ (Reverse Discrimination in EC Law, p. 217)

A-G Sharpston zag zich bij de Zambrano-zaak dus geconfronteerd met een gevoelige kwestie. In haar conclusie gaat zij daar uitgebreid op in. Zij denkt niet dat ‘de uitoefening van de aan het burgerschap van de Unie ontleende rechten altijd onlosmakelijk en dwingend verbonden is met daadwerkelijke verplaatsing’ (par. 77). Bij de uitoefening van de klassieke rechten van vrij verkeer heeft het Hof van Justitie het immers gaandeweg ook minder noodzakelijk geacht dat er sprake was van grensoverschrijdende verplaatsing.

Zo spreekt het Hof in de context van het vrije verkeer van goederen van een daadwerkelijke of potentiële belemmering, waarna in Carbonati heffingen binnen één lidstaat strijdig met het Verdrag werden geacht. Soortgelijke formuleringen vinden we in Säger en Kraus in de context van vrij verkeer van diensten en personen. En in Alpine Investments viel een verbod om potentiële klanten in andere lidstaten op te bellen ook binnen de werkingssfeer van het Verdrag. Bovendien, toen mevrouw Carpenter uitgezet dreigde te worden, kon meneer Carpenter dit voorkomen omdat dit hem zou belemmeren bij het verkopen van advertentieruimte in andere lidstaten, waarvoor zakelijke trips noodzakelijk waren, en mevrouw Carpenter nodig was om thuis voor de kroost te zorgen.

Maar dit waren steeds rechtszaken waarin grondrechten werden ingeroepen omdat de uitoefening van een economisch recht was belemmerd. Is het niet tegenstrijdig dat EU-burgers zich alleen op hun burgerschap kunnen beroepen door die economische rechten uit te oefenen? A-G Sharpston vindt van wel:

‘De uitoefening van de rechten van het EU-burgerschap lijkt eerder te worden beheerst door de wetten der kansberekening dan door de rede.’ (paragraaf 88)

In Zambrano bepaalde het Hof, zoals Jeremy Bierbach eerder schreef ‘dat deze minderjarige EU-burgers, om een verblijfsrecht in de EU op grond van art. 20 VWEU te genieten dat niet zinsledig is, een recht hebben om begeleid en verzorgd te worden door hun ouders: de ouders moeten dus het recht hebben te verblijven en te werken in België. (…) [H]et baanbrekende aan Ruiz Zambrano was dat het Hof het niet nodig vond om een aanknopingspunt te vinden in grensoverschrijdende situatie, maar onmiddellijk aanknoopte bij het EU-burgerschap van de kinderen.’

A-G Kokott in de zaak McCarthy

Mw. Shirley McCarthy (staatsburger van het Verenigd Koninkrijk) bezit tevens de Ierse nationaliteit. Zij heeft echter sinds haar geboorte nooit het Verenigd Koninkrijk verlaten om in een ander EU-land te verblijven. Zij trachtte, na voor het eerst een Iers paspoort te hebben aangevraagd, een verblijfsvergunning in het Verenigd Koninkrijk te verkrijgen als Iers staatsburger, daarbij vergezeld door haar Jamaicaanse echtgenoot. Dit uiteraard in een poging zijn verblijf te reguleren via Europees recht. A-G Kokott neemt een ander standpunt in dan A-G Sharpston als het gaat om het tegengaan van reverse discrimination in dit geval:

41. It is true that in the legal literature consideration is given from time to time to inferring a prohibition on discrimination against one’s own nationals from citizenship of the Union. Advocate General Sharpston too has recently adopted a position to this effect. However, as the Court has stated on a number of occasions, citizenship of the Union is not intended to extend the scope ratione materiae of EU law to internal situations which have no link with EU law.

42. It cannot of course be ruled out that the Court will review its case-law when the occasion arises and be led from then on to derive a prohibition on discrimination against one’s own nationals from citizenship of the Union. Citizenship of the Union is after all destined to be ‘the fundamental status of nationals of the Member States, enabling those who find themselves in the same situation to receive the same treatment in law irrespective of their nationality, subject to such exceptions as are expressly provided for’.

43. The present case nevertheless does not appear to me to provide the right context for detailed examination of the issue of discrimination against one’s own nationals. Here, a ‘static’ Union citizen such as Mrs McCarthy is not discriminated against at all compared with ‘mobile’ Union citizens: even if it were to be disregarded that Mrs McCarthy has not exercised her right of free movement, and she were in principle allowed to rely on the provisions of Directive 2004/38, she would nevertheless not fulfil the remaining conditions for the acquisition of longer-term rights of residence that are to be met by Union citizens.

Uitspraak Hof van Justitie

De uitspraak in die zaak is vanochtend bekend gemaakt (persbericht). Het Hof wijst erop dat de richtlijn 2004/38 geen betrekking heeft op EU-burgers die al een onvoorwaardelijk verblijfsrecht hebben in een lidstaat en dit op basis van hun andere nationaliteit nogmaals bevestigd willen zien. Het bezit van twee Unie-nationaliteiten is voorts niet genoeg om niet langer te spreken van een interne situatie:

‘Het Hof merkt tevens op dat de omstandigheid dat een burger van de Unie de nationaliteit van meerdere lidstaten bezit, niet inhoudt dat hij zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend. Het Hof oordeelt dus dat de richtlijn niet van toepassing is op de situatie van McCarthy. Wat de echtgenoot van McCarthy betreft, stelt het Hof vast dat deze, aangezien hij niet de echtgenoot is van een staatsburger van een lidstaat die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, evenmin in aanmerking komt voor de door de richtlijn verleende rechten.’ (persbericht)
Conclusie:

‘Bijgevolg luidt het antwoord van het Hof dat bij ontbreken van nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat haar het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten of dat de uitoefening wordt belemmerd van haar recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten, de situatie van McCarthy geen enkel aanknopingspunt met het recht van de Unie heeft en uitsluitend onder het nationaal recht valt. In die omstandigheden kan McCarthy haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk niet baseren op aan het Europees burgerschap verbonden rechten.’ (persbericht)

Zo blijft het steeds zoeken en afwegen wat wel en wat niet een interne situatie en dus aangelegenheid is. Een eerste vergelijking tussen Zambrano en McCarthy laat in ieder geval zien dat voor een beroep op Europees recht de uitoefening van de (economische) rechten van vrij verkeer belangrijk blijft.

Een uitzondering kan alleen gemaakt worden voor hen die, vanwege afhankelijkheid van hun ouders, nooit in staat zijn geweest om een keuze te maken die rechten (al dan niet) uit te oefenen. Voor volwassen maar ‘statische’ burgers gaat de vlieger van het EU-burgerschap vooralsnog niet op.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: