Zelfreflectie II

door GB op 12/03/2009

in Uncategorized

Het rapport Vertrouwen en zelfvertrouwen appelleert inderdaad meteen aan een gezonde dosis scepticisme. Het rapport biedt ruim voldoende mogelijkheden om die afslag te nemen. Waarom zou je verder lezen als nota bene de deskundige (Schutte, in dit geval) het hele proces bijna ridiculiseert door te beginnen over ‘de vier W’s van het parlementaire werk: Wie heeft Welk instrument Waarvoor gebruikt en Waar heeft het toe geleid.’ Op basis van Google kan je zelfs vermoeden dat hij dat zelf in elkaar heeft geknutseld en er jarenlang goede sier mee heeft gemaakt in het talentenklasje van de GPV.

Toch is er een aantal redenen om het rapport verder te lezen.

Het rapport is opgebouwd uit een algemeen gedeelte, waarin samenvattende conclusies worden getrokken, en een dik tweede deel, waarin het oermateriaal zit: lunchgesprekken met kamerleden, essays van deskundigen, gesprekken met ex-premiers, journalisten, Eerste Kamerleden, enz.

Allereerst is het essay van Van den Bergh lezenswaardig. Hij analyseert dat onze parlementaire cultuur geënt is op een clubje liberale juristen, met deskundigheid hoog in het vaandel, aangevuld met 50 jaar preuts katholiek kamervoorzitterschap. Het model voor representatie (en dus invulling van het kamerlidmaatschap) is daarmee gevuld met dat van het acting for. Dat botst met kamerleden opereren vanuit een standing for model van representatie. Die polariseren dramatiseren en nog zo wat. Stelt u zich voor: Hamer (de ontslagrechtredding! waarom ziet niemand dat?) en Wilders (u bent knettergek). Moraal van het verhaal van Van den Bergh: dat verschil is niet raar, gun elkaar die verschillende modellen. Denk er hoogstens over na of je de acting for-handelwijze niet wat meer naar de commissie verschuift. Dan lopen de kamerleden elkaar minder voor de voeten.

Veel gespreksverslagen steunen dit. Nogal wat klachten richten zich tegen die standing for representatie. Een van de kamerleden verzucht: ‘Een goed debat heeft ook te maken met gunnen en collegialiteit. Er zit op dit moment geen rust in het systeem om elkaar rustig en collegiaal te bevragen.’ En Schutte adviseert: een toezegging in de schriftelijke voorbereiding ‘levert meer op’ dan een heel debat. Maar wat het allerergste is (er wordt een paar keer met afschuw over gesproken): een motie indienen terwijl je weet dat die wordt afgestemd. Dat zijn stuk voor stuk voorbeelden van een Hamer die over een Wilders klaagt.

Tussendoor schromen de Kamerleden overigens niet om beeldbevestigende opmerkingen te maken. Wat is er namelijk aan de hand in Nederland? Het reisbudget en het honorarium voor kamerleden is te laag. We moeten onze volksvertegenwoordigers wel fatsoenlijk in staat stellen om ‘over de dijken heen te kijken’, en anders moeten we niet opkijken dat er een spoeddebat over de incidenten in verzorgingshuizen worden gehouden.

Laten we even aannemen dat ‘incidentenpolitiek’ inderdaad iets is wat moet worden tegengegaan. Dan valt een combinatie van passiviteit en rondschuiven van de hete aardappel op. Kamerleden vragen spoeddebatten aan, omdat ze in de media moeten zien te komen, want als ze niet in de media komen, dan verdwijnen ze bij de volgende verkiezingen. Journalisten presteren het, om op hun beurt te klagen over de grote hoeveelheid spoeddebatten die ze moeten aflopen. Bovendien creëren media geen hypes, politici steken die in. Na wat getouwtrek tussen kamerleden en journalisten verdiept de analyse zich: journalisten worden weer opgejaagd door kijkcijfers. En die schieten nu eenmaal omhoog bij ‘de man’ en niet bij ‘de bal’. Ergo: kennelijk is dat wat men zien wil.

Maar is het wel zo passief? Dat lijkt me niet. Het zijn immers vooral de kandidaatstellingcommissies die bepalen of iemand kans maakt om de volgende keer weer op een verkiesbare plaats te komen. De partijen zelf hebben dus de mogelijkheid om de carrousel te stoppen, maar in het gesprek tussen de commissie, de kamervoorzitter en de partijvoorzitters gaat het daar nauwelijks over. Men vindt het een schande dat er zo weinig mensen lid zijn van een partij en het is een schande als ze niet nog meer subsidie krijgen. Gechargeerd gezegd, uiteraard, maar bezwerende Lubbers-teksten over de Bermudadriehoek media-politiek-bedrijfsleven hadden wel vervangen kunnen worden door een analyse over kandidaatstellingcommissies.

Als ik om mij heen kijk, kennen de meeste mensen een handjevol kamerleden. Het zijn er dus maar een paar die inderdaad succesvol zijn in het spel tussen de media en de politieke agenda. Verder heb je nog een groepje figuren dat wel wil, maar niet succesvol is. Dat zijn de kamerleden die ervoor zorgen dat het vragenuurtje uitloopt, zonder dat hen dat nou blijvende bekendheid oplevert. Daarnaast moet er nog een -grote- groep kamerleden bestaan die gewoon zijn werk doet, en zich niet opwindt over het feit dat een Algemeen Overleg over het functioneren van ProRail geen krantenkoppen oplevert.

Ik vermoed dat de klachten en de bijbehorende zelfbevlekking over Haags geneuzel afkomstig zijn uit de middelste categorie: kamerleden die wel willen, maar die niet succesvol zijn. Mijn oplossing voor het ‘probleem van de incidentenpolitiek’ is dan ook als volgt: we gunnen het een paar kamerleden om lekker vaak in het nieuws te komen en bij Pauw en Witteman aan tafel te zitten. De kandidaatstellingcommissies voeren iedereen die wel-wil-maar-niet-kan-en-daarom-klaagt af van de kandidatenlijst. En de rest van Nederland koestert de gedachte vele kamerleden – met ons – nuttig werk doen.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 WdH 12/03/2009 om 09:07

Hoop dat essay van Van den Bergh binnenkort te lezen. Jammer dat je van zijn analyse dan weinig (niets) terugziet in de conclusies van het rapport.

Er schijnt trouwens eind deze maand een congres over te worden georganiseerd.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: