Zetelverlies PvdA door eigen lijstverbindingen

door RvdW op 09/03/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Zetelverlies PvdA door eigen lijstverbindingen

Eerder heb ik aan de hand van de uitslagen van de verkiezingen voor Provinciale Staten van vorige week vooruitgeblikt op de verkiezingen voor de Eerste Kamer op 23 mei as. Maar even interessant is een terugblik: hoeveel winst hebben de progressieve lijstverbindingen, die in de media zoveel aandacht kregen, de deelnemende partijen eigenlijk opgeleverd?

In elf provincies namen in totaal 17 lijstencombinaties (volgens de Kieswet is een lijstverbinding een handeling; een lijstencombinatie is daarvan het resultaat) deel aan de verkiezingen. Alleen in Drenthe was het ieder voor zich. De PvdA en GroenLinks zagen de mogelijkheid tot lijstverbinding vooral als een kans om uiteindelijk meer zetels te behalen in de Eerste Kamer en zo de oppositie tegen het kabinet te versterken, en gingen daartoe in tien provincies een combinatie aan. Tweemaal sloot zich D66 hierbij aan (in Noord-Brabant en Zeeland) en tweemaal deed de Partij voor de Dieren hetzelfde (in Groningen en Limburg). In Flevoland, naast Drenthe de enige provincie waar de PvdA en GroenLinks geen overeenstemming konden bereiken, verbond GroenLinks haar lijst met D66. Naast deze elf progressieve lijstencombinaties gingen in vijf provincies de SGP en de ChristenUnie de combinatie met elkaar aan. Ten slotte verbond de VVD in Friesland haar kandidatenlijst met die van het Provinciaal Belang Fryslân.

Lijstverbindingen kunnen aantrekkelijk zijn voor partijen omdat ze de kans vergroten dat een restzetel aan één van de verbonden lijsten wordt toegewezen. Bij provinciale verkiezingen wordt voor de toewijzing van restzetels namelijk gebruik gemaakt van het systeem van de grootste gemiddelden: bepalend is welke partij de meeste stemmen per zetel zou vertegenwoordigen indien zij de op het spel staande restzetel zou winnen. Gaan partijen een lijstencombinatie aan dan worden zij bij de zetelverdeling beschouwd als één lijst: hun stemmen worden bij elkaar opgeteld voordat de gemiddelden worden berekend. Bovendien is de noemer (het aantal zetels voor de lijstencombinatie indien de volgende restzetel wordt veroverd) telkens één lager dan de noemers van de twee verbonden lijsten gezamenlijk (twee lager bij drie verbonden lijsten etc.). Daardoor valt hun gezamenlijke gemiddeld aantal stemmen per zetel altijd hoger uit dan hun individuele gemiddelde voor de volgende restzetel. Een risico op minder zetels voor de combinatie is er dus niet, alleen een kans op meer zetels. Voor de verkiezingen werd wel voorspeld dat de elf progressieve lijstverbindingen ertoe zouden leiden dat VVD, CDA en PVV anderhalf tot twee en een half procent (= vier tot zeven) minder Statenzetels zouden winnen, met name in de grootste provincies van ons land.

Een nauwkeurige bestudering van de uitslagen zoals deze inmiddels door de twaalf centrale stembureaus zijn vastgesteld, leidt tot een opmerkelijke vaststelling. De grootste verliezer van de progressieve lijstverbindingen is niet de VVD, het CDA of de PVV, maar de PvdA.

In drie provincies hebben de lijstencombinaties hun doel bereikt: in Noord-Holland pikt GroenLinks een zetel in die anders aan de PVV was toegevallen, in Zeeland verliest de SGP een zetel aan D66 en in Flevoland snoept D66 een zetel weg van de VVD (ten minste wanneer de uitslag daar door de aangevraagde hertelling niet meer wijzigt). In drie andere provincies – Noord-Brabant, Limburg en Gelderland – is er echter sprake van een zetelverschuiving binnen de lijstencombinatie. In Noord-Brabant verliest de PvdA een zetel aan D66, in de andere twee provincies verliest de partij er telkens één aan GroenLinks. Terwijl D66 en GroenLinks dus elk drie zetels overhouden aan de verschillende lijstverbindingen, levert de PvdA er juist drie in.

Hoe is dat nu mogelijk? De verklaring kan gevonden worden in het systeem dat wordt gebruikt om de zetels binnen een lijstencombinatie te verdelen onder de betrokken partijen. Dat is het systeem van de grootste overschotten. Volgens dit systeem worden alle stemmen die op de verbonden lijsten zijn uitgebracht samengeteld en gedeeld door het aantal zetels dat door de lijstencombinatie in de wacht is gesleept. Het getal dat je dan krijgt, is de combinatiekiesdeler. Vervolgens worden de stemmenaantallen van de verbonden lijsten afzonderlijk door deze combinatiekiesdeler gedeeld. In de resultaten is het cijfer voor de komma het aantal zetels dat iedere partij zeker heeft gewonnen. De één of meer restzetels worden daarna toegedeeld aan de partij(en) die de hoogste cijfers achter de komma hebben.

Boven is al aangegeven dat het systeem van de grootste gemiddelden grote partijen (of lijstencombinaties) bevoordeelt. Dat is niet zo voor het systeem van de grootste overschotten: alle partijen hebben in beginsel evenveel kans op de restzetel(s). Daardoor kan het dus gebeuren dat een grotere partij in een lijstencombinatie de restzetel binnen die combinatie aan een kleinere partij moet laten omdat deze nu eenmaal een groter overschot heeft, terwijl zonder lijstverbinding de grotere partij die restzetel zelf in de wacht had gesleept op grond van haar hogere gemiddelde. Interessant is de vraag wat de kans voor een grote partij is op dergelijk zetelverlies binnen de combinatie. In het artikel “Is lijstverbinding voordelig?” in Lokaal Bestuur wordt aangegeven dat deze kans 3 procent is, al heeft de schrijver het specifiek over grotere gemeenten. Dat lijkt me wel wat laag. Wellicht kan iemand die wiskundig wat meer onderlegd is dan ik in de comments hieronder uitkomst bieden.

Je hoeft de PvdA geen warm hart toe te dragen om na lezing van het bovenstaande een onbevredigd gevoel te hebben: zeteltjepik binnen een lijstencombinatie is toch een soort van kannibalisme in het kiesrecht. Natuurlijk, er valt wat voor te zeggen het systeem van grootste overschotten te gebruiken om de door de lijstencombinatie extra gewonnen restzetels te verdelen. Zo is het ook voor kleine partijen aantrekkelijk om een lijstencombinatie aan te gaan. Maar wat is de reden dat dit systeem ook wordt gehanteerd voor de zetelverdeling binnen lijstencombinaties indien deze geen extra restzetels winnen? De wetgever heeft het systeem van de grootste gemiddelden immers als primair systeem van (rest)zetelverdeling gekozen. Zou het dan niet juister zijn om dit – blijkbaar superieure – systeem ook bij onsuccesvolle lijstencombinaties te hanteren? Of nog eenvoudiger: zou, indien een lijstencombinatie niet succesvol is, deze niet gewoon buiten beschouwing moeten worden gelaten?

De wetgever was zich goed bewust van de ongewenste rekenkundige effecten van de combinatie van twee verschillende systemen van zetelverdeling. Toen lijstverbindingen in 1973 mogelijk werden gemaakt, rekende de Kiesraad voor dat indien bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 de CHU, ARP en KVP enerzijds en de PvdA, D66 en de PPR anderzijds een lijstverbinding waren aangegaan, in beide gevallen sprake zou zijn geweest van zetelverschuiving binnen de combinatie. Toch koos de wetgever, na enige aarzeling, voor de huidige regeling. Bij de herziening van de Kieswet in 1989 hield de wetgever vast aan het bestaande systeem, zelfs nadat bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 1974 en die voor de Provinciale Staten van 1984 zich daadwerkelijk kiesrechtelijk kannibalisme had voorgedaan. Een goede reden werd beide keren echter niet gegeven. In plaats daarvan werd de keuze gepresenteerd als één tussen verdeling van de zetels binnen een lijstencombinatie volgens het systeem van de grootste overschotten en verdeling op grond van de grootste gemiddelden. Volgens mij zijn er meer mogelijkheden, in ieder geval de twee die ik hierboven heb genoemd. Het zou m.i. de moeite lonen bij een volgende wijziging van de Kieswet in elk geval stil te staan bij de vraag of we de huidige regeling nou echt wel willen.

Ten slotte nog wat extra zout in de wonde van de PvdA. De partij heeft dus drie zetels verloren door de tien lijstverbindingen die het is aangegaan. Hoe zit het dan in de twee provincies waar de PvdA geen lijstverbinding aanging? Het zal toch niet…? Oh, jawel. Had de partij zich in Flevoland aangesloten bij de tandem GroenLinks-D66, dan had het de laatste restzetel van de PvdD afgesnoept en in Drenthe had de door GroenLinks gewenste lijstverbinding de PvdA een zetel opgeleverd ten koste van de VVD. Wat een pech.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Fokko 11/03/2011 om 02:55

Het mooiste voorbeeld van kiesrechtelijk kannibalisme moet toch wel de eerste kamerverkiezingen van vier jaar geleden zijn, waar de VVD door een lijstencombinatie met D66 en OSF een zetel aan D66 verloor. Dit is natuurlijk extra treurig omdat de uitslag van tevoren te berekenen is.

VVDers zijn echter niet zo dom als het nu lijkt, omdat juist het uitrekenen van de uitslag dat vier jaar geleden niet zo goed ging, aangezien niemand voorzien had dat een lid van GL ongeldig zou gaan stemmen. Als zij goed had gestemd, dan zou de liberale lijstencombinatie een zetel extra voor D66 hebben opgeleverd, ten koste van de SP, niet de VVD.

Het systeem van grootste overschotten wordt standaard gebruikt voor kleine zetelaantallen (gemeentes met minder dan 19 raadsleden). Zou de keuze voor het gebruik binnen lijstencombinaties er mee te maken hebben dat er binnen een lijstencombinatie per definitie minder zetels te verdelen zijn dan in totaal. Zijn lijstcombinaties bovendien niet bedoeld als een middel voor kleine partijen om niet een te groot percentage van hun stemmen verloren te laten gaan, en kleine partijen dus aan extra zetels te helpen? Als binnen lijstencombinaties ook grootste gemiddelden zou worden gebruikt, is het inderdaad zo dat kiesrechtelijk kannibalisme niet voor kan komen, maar is het ook zo dat een mogelijke extra restzetel veel vaker bij de grote partij dan bij de kleine terechtkomt. Ofwel, dan wordt het een methode voor kleine partijen om grote te steunen, niet een methode voor kleine partijen om mogelijk een extra zetel te pakken.

2 RvdW 11/03/2011 om 13:45

@Fokko. Maar is het wel juist het probleem voor te stellen als een keus tussen een verdeling op grond van grootste gemiddelden en één via grootste overschotten. Zou niet gewoon een lid 6 aan art. P 11 Kieswet kunnen worden toegevoegd luidende:

“Indien aan de combinatie evenveel zetels zijn toegewezen als zouden zijn toegewezen aan de verbonden lijsten gezamenlijk, indien de lijstencombinatie niet zou zijn gevormd, worden even zoveel zetels aan de verbonden lijsten toegewezen als aan hen zelfstandig zouden zijn toegewezen.”?

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: