Bijna alles goed gedaan, toch het schip in

door LD op 07/05/2014

in Bestuursrecht, Uitgelicht

Post image for Bijna alles goed gedaan, toch het schip in

Er wordt regelmatig geklaagd dat het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht soms oneerlijk zijn. De burger moet alles in één keer goed doen, maar het bestuursorgaan mag blunder op blunder stapelen en komt er nog mee weg ook. Natuurlijk wordt er wel eens een besluit vernietigd, maar dan mag het bestuursorgaan gewoon weer een nieuw besluit nemen, om daar vervolgens ook weer een hoop te verknallen, net zolang totdat er uiteindelijk een besluit ligt dat juridisch door de beugel kan, waarbij geen vormvoorschriften zijn geschonden (althans de belangen van appellant daardoor niet geschaad zijn) en dat niet kennelijk onredelijk is. “Kun je eigenlijk wel winnen van het bestuur?” is een vraag die dan gesteld wordt. Het voorgaande is een beetje een karikatuur, maar het is een gevoel dat wel leeft. Een instantie die dan vaak de zwarte piet toegespeeld krijgt, is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die zou de overheid de hand boven het hoofd houden, wat de Afdeling zelf met klem ontkent.

Er zijn echter ook zaken waarin het bestuursorgaan alles goed lijkt te doen, maar op een klein, en op het eerste gezicht nogal ondergeschikt onderdeel het schip in gaat. De Rechtbank Midden-Nederland had laatst zo’n zaak. Het ongelukkige bestuursorgaan was in dit geval (de raad van bestuur van) het UWV. Dat had een geschil met een werknemer die arbeidsongeschikt was geworden als gevolg van psychische klachten. Het UWV had hem eerst niet, en later – na bezwaar – weer wel een uitkering op basis van de Wet WIA toegekend. Het UWV had de werkgever echter geen verplichting tot het doorbetalen van loon opgelegd, de zogenaamde loonsanctie. De werkgever zou namelijk voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen hebben verricht. Appellant was het met de beslissing op het bezwaar niet eens.

De zaak komt bij de rechtbank, die één voor één de argumenten van appellant behandelt. Ze worden ook één voor één verworpen. Het UWV zou de concentratieproblemen van appellant onvoldoende hebben meegewogen, maar de rechtbank is het daar niet mee eens. Zijn rugklachten zouden niet goed beoordeeld zijn, maar ook dat argument snijdt volgens de rechtbank geen hout. Het volgende bezwaar is dat de arbeidsdeskundige van het UWV niet van het juiste opleidingsniveau is uitgegaan, maar de rechtbank veegt het bezwaar van tafel. Dat doet zij ook met de stelling dat de in het arbeidskundig onderzoek geduide functies te belastend en niet-passend zijn. Alle klachten die samenhangen met de verstrekte WIA-uitkering worden aldus verworpen.

Wat stroever gaat het bij de beslissing omtrent het opleggen van de loonsanctie vanwege vermeend onvoldoende inspanning van de zijde van de werkgever om zijn werknemer te laten re-integreren. Appellant heeft zich pas in zijn bezwaarschrift op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd. De rechtbank vat dit op als een verzoek om de loonsanctie op te leggen, en als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 lid 3 Awb: “Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen”. Het UWV is bij de beslissing op het bezwaar inhoudelijk op die aanvraag ingegaan. Dit deel van de beslissing op het bezwaar wordt daarom door de rechtbank aangemerkt als een primair besluit op die aanvraag. Levert dat problemen op, aangezien dan eerst bezwaar gemaakt moet worden tegen dat primaire besluit alvorens de rechter een oordeel kan vellen? Het antwoord is ‘nee’, want de procespartijen en de rechtbank stemmen in met rechtstreeks beroep. Ook deze hobbel kan dus genomen worden.

Dan, met de haven in zicht, gaat het fout voor het UWV.  We laten de rechtbank zelf even aan het woord:

7.7.De rechtbank dient vervolgens te oordelen over het nu als beroep aan te merken bezwaarschrift tegen de weigering een loonsanctie op te leggen. Daartoe overweegt zij als volgt. Uit artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA volgt dat, nu eiser de aanvraag om een WIA-uitkering tijdig heeft gedaan, verweerder uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd de beschikking over het toepassen van zijn bevoegdheid een loonsanctie op te leggen had moeten geven. Dat betekent dat verweerder een dergelijke beschikking in dit geval uiterlijk had kunnen geven op 27 januari 2013, zijnde zes weken voor 11 maart 2013. De aanvraag om een loonsanctie op te leggen, zoals neergelegd in het bezwaarschrift tegen het primaire besluit over de WIA-uitkering, is ingediend op 21 maart 2013. Verweerder had daarom moeten constateren dat het te laat was om als beslissing op die aanvraag een loonsanctie op te leggen aan de werkgever. Verweerder heeft de aanvraag echter afgewezen op grond van een inhoudelijke beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever. Het bestreden besluit berust daarom op een onjuiste motivering, terwijl de door verweerder gegeven beoordeling door eiser bestreden wordt. De beroepsgrond slaagt.

Het UWV verliest dus de zaak omdat het een inhoudelijke beoordeling van de inspanningen van de werkgever had gegeven, terwijl het zich volgens de rechtbank had dienen te beperken tot een afwijzing op formele gronden (het was al te laat voor een loonsanctie). Dat is wel een heel zure constatering, te meer omdat de rechtbank constateert dat het UWV niets anders had kunnen doen dan de aanvraag afwijzen. Daarom worden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ook in stand gelaten en hoeft er geen nieuw besluit genomen te worden. Het beroep is echter gegrond, hetgeen betekent dat het UWV ondanks het feit dat het bijna alles goed gedaan had zowel de proceskosten van de appellant moet betalen (€ 1.948) als het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.

De zaak is een aardig voorbeeld van een bestuursorgaan dat op nagenoeg alle punten in het gelijk wordt gesteld en zelfs krijgt te horen dat het het juiste besluit heeft genomen, maar dat toch aan het einde met lege handen staat. Het had inderdaad dát besluit moeten nemen, maar dan wel met een andere motivering en dus dient het UWV bijna 2.000 euro aan proceskosten te vergoeden. Kun je als burger dan toch winnen van het bestuur? Daar is deze zaak misschien ook weer niet zo’n goed voorbeeld van. Uiteindelijk heeft appellant alleen maar al gemaakte kosten vergoed gekregen, en verder nul op het rekest gekregen voor wat betreft zijn klachten over de loonsanctie, terwijl de klachten over de WIA-uitkering al volledig waren afgewezen. Dat is geen overwinning te noemen. Hooguit een gelijkspel.

{ 5 reacties… read them below or add one }

1 Rove 07/05/2014 om 13:20

Als ik het UWV was, zou ik het oordeel van de rechtbank nog eens laten toetsen door de Afdeling; wellicht dat de Afdeling wat vriendelijker is voor het bestuursorgaan.

2 Super De Boer 07/05/2014 om 18:24

8) Liever van de rechter horen dat je ten onrechte naar de inhoud hebt gekeken, dan dat je ten onrechte niet in behandeling hebt genomen. Nog beter is natuurlijk alles goed te doen, maar het kan erger dan dit.

3 Marlies van Eck 08/05/2014 om 15:11

De zaak lijkt me een mooi voorbeeld van een bestuursorgaan dat het eigenlijk beter doet dan nodig (inderdaad beter een inhoudelijke behandeling) en dan daarop weer wordt ‘teruggefloten’. Dit is geen uitzondering. Ook bestuursorganen hebben (soms) liever een zaak over de inhoud van hun ‘core-business’ bij de rechter, dan een formele procedure. Van de inhoud weten ze nou eenmaal veel meer. En het geeft de burger doorgaans een beter gevoel als het over de inhoud van het geschil gaat in plaats van over de dooddoener ‘u bent te laat’. Dan is het toch fijn om te weten of dat nou iets had uitgehaald ja of nee. Als repeatplayer weet ik dat het voor een vertegenwoordiger van een bestuursorgaan flink ontmoedigend kan werken om, als je iets inhoudelijk hebt behandeld, bij de rechter uiteindelijk hetzelfde resultaat te behalen maar met een vernietiging en proceskostenveroordeling. Het lijkt mij onderdeel uitmaken van het ‘waar gehakt wordt vallen spaanders principe’ maar er zijn ook bestuursorganen die zich daardoor juist formeler willen opstellen. De kunst blijft, vind ik, om te streven naar het inhoudelijke. Zeker met de nieuwe zaaksbehandeling kan het op de zitting dan, met een beetje goede wil, immers toch over de inhoud gaan. Maar wat mij betreft zouden we er sowieso beter aan doen eens kritisch naar het bestuurs(proces)recht te kijken.

Burger centraal, dienende overheid, nieuwe zaaksbehandeling; waar blijft het bestuursrecht zelf? | Marlies blogt
https://marliesvaneck.wordpress.com/2014/04/18/burger-centraal-dienende-overheid-nieuwe-zaaksbehandeling-waar-blijft-het-bestuursrecht-zelf/

4 JADB 10/05/2014 om 13:36

Waarom is hier aanleiding om de proceskosten te vergoeden? Ik weet dat het gebruikelijk is om een dergelijke veroordeling uit te spreken wanneer het besluit wordt vernietigd, maar art. 8:75 Awb verplicht daartoe niet. Het is best voorstelbaar dat in dit soort gevallen een proceskostenvergoeding achterwege blijft.

En waarom is hier niet gekozen voor toepassing van art. 6:22 Awb; dan zou het beroep immers niet gegrond hoeven te worden verklaard (alhoewel dat strikt genomen geen normconditie is voor een proceskostenveroordeling, maar wel voor het vergoeden van het griffierecht)? Deze uitspraak is een mooi voorbeeld van de onduidelijke verhouding tussen 6:22 en 8:72 lid 3 Awb.

5 lyngbakken 12/05/2014 om 20:54

@JADB

Inderdaad geeft de wettekst de ruimte om bij een gegrond beroep geen proceskostenveroordeling uit te spreken. Maar de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep hebben als lijn in de rechtspraak gekozen dat die vergoeding moet als het beroep gegrond is (en er ook kosten zijn). Een soort rechterlijk beleid ter invulling van de ruime wettekst. Voordeel van een dergelijke aanpak is dat iedereen op dat punt tenminste weet waar hij aan toe is.

Als het bestuur ten onrechte in een beslissing op bezwaar inhoudelijk is ingegaan op de bezwaren, maar ze formeel had moeten afdoen, worden de beroepen ook altijd gegrond verklaard; zelfs als het bestuur en betrokkene beiden menen dat een inhoudelijke beoordeling aangewezen is, en niemand daardoor in zijn belangen is geschaad. Artikel 6:22 wordt in dergelijke gevallen ook niet toegepast. Misschien had de rechtbank die praktijk als voorbeeld in de gedachten toen ze tot vernietiging overging in plaats van aan 6:22 te toetsen?

Ten slotte: bij toepassing van artikel 6:22 is een proceskostenveroordeling ook mogelijk, bijvoorbeeld indien de betrokkene door het bestuur zodanig op het verkeerde been is gezet dat hij nodeloos beroep instelde. Maar op dat laatste punt is de rechtspraak volgens mij casuïstischer.
Dat is echter ook niet zo vreemd; artikel 6:22 wordt door de rechter weinig toegepast. Dat zou wat mij betreft ook meer mogen, maar nadeel ervan is natuurlijk wel dat het snel wordt gezien als nog eens extra afdekken van fouten van het bestuur; dat waar voor de burger vaak bij 1 fout de zaak al definitief over is.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: