De Eerste Kamerverkiezingen: het woord aan de Statenleden

door RvdW op 20/05/2011

in Decentralisatie, Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Aanstaande maandag om stipt 3 uur bepalen de 566 Provinciale Statenleden de samenstelling van de Eerste Kamer. In de media is al veel aandacht besteed aan deze verkiezingen. Met name het spoeddebat dat twee weken geleden plaatsvond nadat Johan Robesin bekendmaakte in het torentje met Mark en Geert te hebben afgesproken niet op zijn ‘eigen’ OSF te stemmen, maar op een coalitiepartij, werd uitvoerig besproken. Ook de frictie tussen de SGP en de ChristenUnie, de opmerking van PVV-er Van der Galiën dat hij zijn stem wellicht aan de SGP gunt en de mogelijke blanco stem van PvdA-er Selçuk Öztürk haalden het nieuw. Ruud Koornstra mocht bij Pauw&Witteman komen uitleggen hoe serieus zijn gooi naar een senaatszetel eigenlijk is. En overal, ook op dit blog, wordt druk gespeculeerd over de uitslag.

De berichtgeving toont goed aan dat niet enkel ingewikkelde wiskundige berekeningen en lepe Haagse spelletjes de uitslag van de Eerste Kamerverkiezingen zullen bepalen. Uiteindelijk zijn het de Statenleden die, alle partijafspraken en instructies ten spijt, hun stem naar eigen inzicht mogen uitbrengen. Het menselijk aspect doet er dus toe, zo bleek trouwens ook de vorige keer al. Wat mij betreft was het dan ook de hoogste tijd om de Statenleden zelf eens te vragen wat zij van de Eerste Kamerverkiezingen vinden, hoe zij hun stem bepalen en welke rol hun partij daarbij speelt. Afgelopen weekend gingen daarom 543 vragenlijsten per e-mail de deur uit (want 23 Statenleden blijken niet elektronisch bereikbaar…).

De enquête telde vijf vragen, maar wellicht de meest interessante vraag was de zesde, die aan de andere impliciet voorafging: bent u bereid nog vóór de verkiezingen aan uw kiezers openheid te geven over uw stemgedrag, of speelt u het politieke spelletje van geheimhouden, om elkaar heen draaien en tactisch stemmen liever mee tot en met 23 mei? Nou, vooral dat laatste dus. Tot het moment van schrijven van dit stukje namen 46 Statenleden de moeite ten minste een deel van de vragenlijst in te vullen, terwijl 13 collega’s (meer of minder beleefd) uitlegden geen medewerking te willen verlenen en de overige 484 dames en heren de e-mail besloten te negeren. Een responspercentage van zo’n 8.5 procent dus, wat wel enigszins te verwachten was. Statenleden zijn dan wel mensen, maar het blijven politici!

De enquête is dus zeker niet representatief, maar toch geven de antwoorden wel een aardig beeld. Vanuit alle provincies en van alle landelijke partijen kwamen namelijk reacties binnen. Ook een 50Plusser, een SGP-er en een OSF-er waren zo vriendelijk de vragenlijst in te vullen. Wel bleek een duidelijk verschil in animo tussen de Statenleden van de Haagse coalitiepartijen en die van de oppositiepartijen: in totaal antwoordden slechts elf VVD-ers, CDA-ers en PVV-ers, terwijl dat er bijvoorbeeld alleen al dertien waren bij de PvdA. Liefst negen VVD-ers berichtten niet mee te zullen werken, samen met twee 50Plussers, een lid van de ChristenUnie en een PVV-er; daarentegen weigerde geen enkel Statenlid van PvdA, SP, GL, PvdD of D66 expliciet. En ook uit de extra toelichting die door de meesten werd gegeven blijkt een duidelijk verschillende houding tussen links en rechts: openheid versus geslotenheid, of misschien wel naïviteit versus politieke geslepenheid.

De eerste vraag informeerde naar de mening van de Statenleden over de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer. Wat vinden zij er eigenlijk van dat zijzelf de samenstelling van de senaat bepalen? Circa 40 procent van de respondenten vindt het huidige systeem prima, terwijl 30 procent liever een direct gekozen Eerste Kamer ziet. 15 Procent gaf spontaan te kennen dat de Eerste Kamer beter kan worden opgeheven en 15 procent kwam met specifieke voorstellen voor aanpassing van het kiesstelsel. Daaronder was ook de SGP-er die, niet geheel toevallig, het vervallen van de mogelijkheid tot lijstverbinding kritiseerde. De meningen over dit onderwerp lopen overigens behoorlijk uiteen binnen de partijen. Alleen binnen de PVV is er unaniem kritiek op het huidige systeem, terwijl de PvdD-ers juist geen noodzaak tot wijzigingen zien.

De tweede en derde vraag hadden betrekking op de communicatie vanuit de partij. Zijn de Statenleden inmiddels gecontacteerd en in hoeverre zijn ze verplicht hun stem op een bepaalde wijze uit te brengen? Hier blijken duidelijke verschillen te bestaan tussen de partijen, bijvoorbeeld tussen GroenLinks, de SP en de PvdA. De Statenleden van GroenLinks reisden maandagavond af naar een landelijke bijeenkomst. Partijdruk voelen ze geen van allen: het is enkel “usance”, “gebruikelijk”, “een algemeen verzoek” om op de lijsttrekker te stemmen. Dat is wel anders binnen de SP. De socialistische Statenleden zijn schriftelijk door het partijbureau aangeschreven en verplicht om op de lijsttrekker te stemmen. Zoals dat trouwens gewoon in artikel 12 lid 8 van het Huishoudelijk Reglement is vastgelegd. Niet dat er overigens één SP-er is die moeite heeft met deze verplichting: dit is het meest democratisch, vinden ze alle zes. Zo geölied als de SP-machine, zo groot lijkt de chaos en onvrede binnen de PvdA. Terwijl zes respondenten gewag maken van een regionale bijeenkomst waar ze door de partij zijn geïnformeerd, zijn zes anderen enkel schriftelijk benaderd en één Statenlid weet zelfs nog van niets. Eén PvdA-er verzucht: “De Statenleden hebben geen enkel idee op wie ze gaan c.q. moeten stemmen. […] Ja, ik ben door mijn partij verplicht om op ‘de partij’ te stemmen. Maar tot nu toe zijn ze nog niet gekomen met de toegezegde instructies.” Daar is duidelijk nog werk aan de winkel.

Alle partijen hebben duidelijk hun eigen werkwijze. De D66-ers zijn door voorzitter Ingrid van Engelshoven en lijsttrekker Roger van Boxtel aangeschreven. Ook de SGP-er, de VVD-ers en PvdD-ers hebben allemaal een e-mail gekregen van het partijbureau, terwijl alle provinciale fractievoorzitters van de ChristenUnie op het partijbureau bijeenkwamen. Binnen het CDA noch de PVV lijkt tot nu toe enig contact met de Statenleden te zijn gezocht vanuit de landelijke partij. Terwijl geen van de Statenleden van CDA en ChristenUnie door de partij verplicht is (of zich verplicht voelt!) op een bepaalde wijze te stemmen, is dat binnen de overige partijen juist wel het geval. De enige provinciaal, ten slotte, die de enquête invulde, gaf te kennen “alleen uit financiële overwegingen” te zijn verplicht op de OSF te stemmen. Een antwoord dat weinig enthousiasme verraadt.

De vierde en vijfde vraag ten slotte vragen onomwonden: op wie wordt er maandag gestemd en waarom? Deze vraag oogstte veel kritiek met karakteriseringen als “onbehoorlijk” en “impertinent”. En menig Statenlid sloeg mij om de oren met het stemgeheim. Dat dit inhoudt dat niet gevraagd mag worden hoe de stem is of wordt uitgebracht, is voor mij nieuw. Ook hoop ik dat de Statenleden zich realiseren hoe weinig het stemgeheim na 23 mei voorstelt, gezien de eenvoud om in Senaatsverkiezingen stemmers aan stemmen te koppelen.

De Statenleden die de vragen wel beantwoordden, gaven elk te kennen op een kandidaat van de eigen partij te stemmen. De Statenleden met ‘bijzondere’ instructies doen er dus vooralsnog het zwijgen toe. Toch kent deze bijdrage wel een miniscoop: ook uit de antwoorden op deze vragen blijkt namelijk grote onvrede binnen een deel van de PvdA. Een Fries Statenlid verwoordt het als volgt: “In de drie noordelijke provincies zitten de meeste PvdA stemmers, wethouders, statenleden en gedeputeerden. Daar is niets van terug te vinden op de 1e kamerlijst.” Vijf van de acht PvdA-geënquêteerden uit Friesland, Groningen en Drenthe geven dan ook aan op “een lokale kandidaat” of “een andere kandidaat dan de lijsttrekker” te stemmen. Dat is, volgens hetzelfde Friese Statenlid, Janny Vlietstra, geboren in Friesland, woonachtig in Groningen en gedeputeerde te Drenthe. Zij is de nummer 15 op de kandidatenlijst en daarmee de hoogst genoteerde noorderling, na een lange lijst randstedelingen. De onvrede over die lage positie zit in het noorden blijkbaar zo hoog dat men bereid is de verklaring die alle PvdA-Statenleden bij hun kandidaatstelling moesten ondertekenen en volgens welke ze zich verplicht hebben op een verkiesbare kandidaat te stemmen, aan de laars te lappen. Alhoewel, met een kiezerspotentieel van 35 noordelijke Statenleden is mevrouw Vlietstra duidelijk zeer verkiesbaar!

Al met al blijkt uit de enquête dat zeer verschillend wordt omgesprongen met en gedacht over de verkiezingen van aanstaande maandag. Terwijl sommige partijen hun Statenleden grondig hebben geïnformeerd via bijeenkomsten, hebben andere partijen het (vooralsnog) bij een e-mail gelaten of zelfs helemaal geen contact gezocht. Dat is een riskante gok, want zoals een Brabantse SP-er aangeeft: “Om ongelukken te voorkomen is het strategisch goed om dit af te spreken binnen de partij. De verkiezing luistert zo nauw met de per provincie anders gewogen stemmen.”

Ongetwijfeld zal de komende dagen in Den Haag nog koortsachtig worden onderhandeld en afgestemd. Het is zaak voor de partijbureaus daarbij niet te vergeten dat niet zijzelf uiteindelijk de stemmen uitbrengen, maar de Statenleden in de provincies. Die mogen dus allemaal best even gebeld worden. Door Job, Marleen of Liliane bijvoorbeeld. Of door Maxime, Elco of Ruth. Statenleden zijn namelijk ook maar mensen.

 *Hartelijk dank aan de Statenleden die bereid waren aan de enquête mee te werken.

{ 5 reacties… read them below or add one }

1 MN 20/05/2011 om 08:34

Leuk dat je dit onderzoek hebt opgezet! Maar is het nu wel terecht om 484 statenleden te betichten van weigerachtigheid mee te werken? Als je met verzending van de vragenlijst in het afgelopen weekeinde bedoelt dat de lijst zaterdag 14 of zondag 15 mei de deur uit is gegaan, dan vind ik het niet zo heel raar dat een groot deel van de statenleden nog niet heeft gereageerd. Een mogelijke verklaring voor de lage respons is bijvoorbeeld dat de statenleden iets anders te doen hebben. Bovendien zullen veel SGP’ers de lijst eerst maandagochtend uit hun mailbox hebben geplukt, zodat zij netto vier dagen hadden om te reageren. Het gaat dan wel om de provincies, maar ook daar worden dikke stapels papier verstouwd. Ongetwijfeld heeft de geringe respons ook te maken met weigerachtigheid. Maar ik vind het iets te kort door de bocht om schande te spreken van statenleden die niet binnen vijf dagen een vragenlijst beantwoorden.

2 RvdW 20/05/2011 om 09:41

Ik spreek geen schande van degenen die niet deelnamen, hoor. Ik constateer slechts. Overigens belandden er op zaterdag, zondag en maandag in totaal 53 e-mails in mijn inbox, terwijl dat er op dinsdag en woensdag nog maar 6 waren en op donderdag geen een. Ik durf wel te stellen dat de stroom aan reacties inmiddels was opgedroogd en een langere wachttijd weinig verschil zou hebben gemaakt.

3 Yoerie Roosendaal 23/05/2011 om 17:21

D66 raakt een zetel kwijt door een ongeldige stem van een statenlid in Noord-Holland. Wat bepaalt de Kieswet hierover? Artikel T 8, derde lid, stelt:

“Voorts is ongeldig de stem die niet als blanco wordt aangemerkt, maar waarbij de kiezer op het stembiljet niet, door het geheel of gedeeltelijk rood maken van het witte stipje in een stemvak, op ondubbelzinnige wijze heeft kenbaar gemaakt op welke kandidaat hij zijn stem uitbrengt, of waarbij op het stembiljet bijvoegingen zijn geplaatst waardoor de kiezer kan worden geïdentificeerd.”

Er staat inderdaad heel duidelijk dat het witte stipje “rood” moet worden gemaakt, maar je zou ook kunnen betogen dat de nadruk in het lid ligt op het op “ondubbelzinnige wijze” kenbaar maken op welke kandidaat gestemd wordt. Dan maakt het weinig uit met welke kleur het stipje wordt ingevuld. Het D66-statenlid heeft niet, zoals destijds bij Cheryl Braam, alle vakjes ingevuld. Op wie hij/zij wilde stemmen is glashelder.

Toch lijkt de suggestie van Roger van Boxtel om de zaak aan de Kiesraad voor te leggen mij kansloos. Provinciale staten beslissen immers zelf, bij twijfel, over de geldigheid van de stemmen (T 9 Kieswet). Of zie ik iets over het hoofd, een beroepsbepaling bijvoorbeeld?

4 RvdW 23/05/2011 om 20:38

Artikel U 17 biedt de mogelijkheid van een nieuwe opneming van stembiljetten uit één of meer provincies door de Kiesraad, ambtshalve of na een gemotiveerd verzoek. Zo’n verzoek zou in dit geval m.i. echter kansloos zijn, aangezien artikel T 8 duidelijk stelt, door de plaatsing van de komma’s, dat een ondubbelzinnig uitgebrachte stem alleen in rood kan zijn uitgebracht. Zo getuige ook de praktijk: duizenden blauwe en zwarte stemmen, m.n. uitgebracht tijdens waterschapsverkiezingen en door stemmers uit het buitenland worden telkens weer ongeldig verklaard. Vandaar een wijziging van het Waterschapsbesluit vorig jaar en de huidige discussie over de afschaffing van het vereiste van een rode stem voor stemgerechtigden in het buitenland.

5 Frank 24/05/2011 om 19:41

Voor de volledigheid: GroenLinks kent ook een statutaire verplichting voor alle statenleden om op de nr. één van de kieslijst te stemmen. Sterker nog, de SP heeft na alle problemen van 2007 specifiek besloten dit voorbeeld van GroenLinks te kopieren.
Deze verplichting is overigens binnen GroenLinks omstreden en niet alle statenleden hebben zich er deze verkiezingen aan gehouden.

Reactie achterlaten

{ 4 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: