De olievlek die Bibob heet

door AT op 02/03/2010

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Op 11 februari is een voorontwerp van een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bibob aan internetconsultatie blootgesteld. Met de voorgenomen wijziging wordt het palet bestuursbevoegdheden van bestuursorganen nog verder uitgebreid dan het al was. Via de Wet Bibob wordt een algemene weigeringsgrond aan bestaande vergunningstelsels – bijvoorbeeld de ten aanzien van bouwvergunningen of (APV-)exploitatievergunningen voor horeca en prostitutie-inrichtingen en coffeeshops – toegevoegd. Deze weigeringsgrond biedt het bestuursorgaan de mogelijkheid om bij ernstig gevaar dat de beschikking mede zal worden gebruikt om crimineel geld wit te wassen dan wel met de beschikking (opnieuw) strafbare feiten te plegen, in te grijpen en de aanvraag voor de vergunning weigeren dan wel een verleende vergunning in te trekken. Het lastige aan de Wet Bibob betreft de vaststelling van de feiten: het bestuursorgaan moet vast stellen of crimineel voordeel is behaald en of uit feiten en omstandigheden uit het verleden kan worden afgeleid dat de aanvrager of vergunninghouder in de toekomst opnieuw de fout in zal gaan. Hiertoe wordt het bestuur geadviseerd door het Bureau Bibob, waar in het verleden al meer over is geschreven op dit blog.

In het wetsvoorstel dat nu ter consultatie voorligt, wordt het Bibob-instrument losgekoppeld van een aangevraagde of verleende beschikking. De burgemeester krijgt in het nieuwe artikel 7a Wet Bibob de bevoegdheid om ‘ter bevordering van de leefbaarheid’ te besluiten om ‘een lokaal, niet zijnde een woning’ te sluiten, indien ‘ernstig gevaar bestaat’ dat crimineel voordeel wordt benut of strafbare feiten worden gepleegd, ook als daarvoor geen vergunning of ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Met deze bestuursbevoegdheid beoogt de wetgever de niet-vergunningplichtige ‘criminogene’ inrichtingen, waaronder belwinkels, bloot te stellen aan de Bibob-toets.

Met deze wijziging wordt het oorspronkelijke uitgangspunt van de Wet Bibob, namelijk voorkomen dat het bestuur, door een besluit te nemen, ongewild criminelen in het zadel helpt, definitief verlaten. Bij niet-vergunningplichtige inrichtingen doet zich immers niet de situatie voor dat het bestuursorgaan door het nemen van een besluit een criminele activiteit mogelijk maakt: er is immers helemaal geen vergunning verleend en er ligt ook geen aanvraag voor.

De koerswijziging past prima bij de huidige tijdgeest waarin de burgemeester tot de opperhandhaver van de rechtsorde wordt gebombardeerd. De Wet tijdelijk huisverbod is een loot aan dezelfde stam, evenals de sluitingsbevoegdheden op grond van de Opiumwet en de Gemeentewet. De wijziging van de Wet Bibob gaat echter een grote stap verder. De burgemeester is immers niet alleen verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde, maar ook voor de leefbaarheid – een begrip dat je net zo breed kunt uitleggen als je zelf wilt.

Bovendien wordt met de toegenomen omvang van de bevoegdheden ook de verantwoordelijkheid van de burgemeester groter. Terwijl de burgemeester de Boze Burger – of diens vertegenwoordiger in de gemeenteraad – voorheen kon verwijzen naar het opsporingsbeleid van het openbaar ministerie, wordt nu van de burgemeester en diens ambtelijk apparaat verwacht dat zij zelf optreden, indien geruchten over criminele activiteiten de ronde doen. Daarbij moet de burgemeester zich ook nog steeds baseren op oncontroleerbare informatie verzameld en geïnterpreteerd door het Bureau Bibob. Dat die adviezen niet altijd onfeilbaar zijn, kunnen de burgemeesters van Alkmaar en Groningen beamen. Weliswaar bevat het wetsvoorstel de mogelijkheid om adviezen te bespreken in ‘de driehoek’, maar daarmee weet de burgemeester nog steeds niet zeker of het advies wel is gebaseerd op alle relevante feiten en omstandigheden.

Kortom: de relatieve rust van het strafproces, waarin, na het strafvorderlijk onderzoek, een debat plaatsvindt over de in dat onderzoek verzamelde feiten en de strafrechter uiteindelijk de juiste feiten vaststelt, wordt ingewisseld voor de hijgerigheid van de politieke context, waarin de burgemeester wordt opgejaagd om ‘nu eindelijk eens wat te doen’ en zich dan moet baseren op voor hem oncontroleerbare informatie. Ook na de wijziging van de Wet Bibob wordt dat probleem niet opgelost. De vraag is ook of dat probleem wel valt op te lossen: het strafrecht is nu eenmaal iets anders als het bestuursrecht.

De ‘bestuurlijke aanpak’ is een politiek mantra dat nauwelijks afvalligen kent. Toch knelt er iets. Als de ‘bestuurlijke aanpak’ het antwoord is op het probleem dat de strafrechtelijke aanpak faalt, omdat het OM over te weinig capaciteit beschikt, niet kan voldoen aan een te hoge bewijslast, of niet onmiddellijk een overtreding kan beëindigen, waarom wordt de oplossing dan niet gezocht in verbetering van dat strafproces? Bijvoorbeeld door de capaciteit van het OM uit te breiden, de bewijslast (delictsomschrijving) bij te stellen, of door de officier van justitie meer bevoegdheden te geven, of – nog logischer – de officier te verzoeken eens wat vaker te denken aan het gebruik van bestaande bevoegdheden, waaronder bijvoorbeeld de bevoegdheid om bevelen te geven vooruitlopend op een veroordeling op grond van de Wet op de economische delicten.

Vorige post:

Volgende post: