Na Sanoma (EHRM 14-09-10): waarheen, waarvoor?

door Ingezonden op 03/01/2011

in Grondrechten, Rechtspraak, strafrecht

Donc je récapitule: eerder beschreef ik op deze blog de Europees georiënteerde schreeuw om wetgeving van 17 Straatsburgse rechters die is neergelegd in het arrest van de Grote Kamer in de zaak Sanoma (lees: Sánoma) tegen Nederland (datum: 14-09-10, zaaknummer: 38224/03) van het EHRM.

Deze Kamer heeft unaniem geoordeeld dat de praktijk in Nederland rond de strafvorderlijke inbeslagneming van een CD-ROM (we spreken over het jaar 2002) bevattende foto’s die door redacteurs van het door Sanoma uitgegeven Autoweek waren gemaakt tijdens een illegale straatrace, niet voldoende met wettelijke waarborgen omkleed was in het kader van artikel 10 EVRM. Bij een verzoek van justitiële autoriteiten aan journalisten om uitlevering van journalistieke bronnen, moet wettelijk geregeld zijn dat in alle mogelijke situaties hierbij voorafgaand aan elke opening waardoor dergelijke autoriteiten de mogelijkheid krijgen om van het betreffende materiaal kennis te nemen, ‘an independent assessment as to whether the interest of the criminal investigation overrode the public interest in the protection of journalistic sources’ (r.o. 100), wordt gegarandeerd. Dit gaat dus niet om een oordeel á la ‘in dit geval’. Dit oordeel bevat een vingerwijzing waaruit alle verdragslanden hun gevolgtrekking zullen moeten maken (zie uitgebreid over de vereiste kwaliteit van wetgeving in dit kader, r.o. 90, 91 en 92).

Waarheen wijst de Staatsburgse vinger? Waarvoor is er nog ruimte op ons eigen stukje aard? En nog verder, en dan laat ik mevrouw Telkamp (van de begrafenishit Waarheen, Waarvoor?) letterlijk aan het woord: wie weet wat er is achter ster en maan? Hoe lang duurt nog de nacht?

Om u gelijk in deze nog donkere dagen zoveel mogelijk van uw tergend, leeg begrafenisgevoel te verlichten –  en ik wijs hier in eerste instantie niet zozeer beschuldigend naar mevrouw Telkamp maar meer naar de Straatburgse procedure in verband met de klacht van Sanoma die zo nodig van 1 december 2003 tot 14 september 2010 heeft moeten duren – begin ik graag met de beantwoording van de laatste twee vragen: “Tot begin 2011, wanneer een dan in de Staatscourant te verschijnen hernieuwde Aanwijzing van het College van procureurs-generaal inzake de toepassing van dwangmiddelen bij journalisten de wettelijke uitdrukking zal vormen van een voldoende gewaarborgde praktijk die al de afgelopen jaren door de betrokken autoriteiten wordt gehanteerd”. Deze aankondiging, hier onder mijn redactie samenvattend weergegeven als citaat, heb ik tijdens de studiemiddag 11 november vorig jaar van de Vereniging voor Media- en Communicatierecht (VMC) in samenwerking met de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) kunnen opvangen van mr. Harm Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal. Kennelijk is in de praktijk in de afgelopen jaren de zon al vaker te zien geweest, en wordt het snel dag in het nieuwe jaar.

Zo, in de pocket Mieke! Nu de andere vragen, bij elkaar gevoegd: waar is de ziel in het hart van de Sanoma-zaak nou eigenlijk na afloop beland?

Het gaat om eisen die de Rule of Law stelt, zoals de Grote Kamer in haar arrest voorop stelt (r.o. 82; zie ook op deze blog eerder). En waartoe geeft dit aanleiding?

De onvrede die in de Sanoma-zaak tot resultaat heeft geleid, lag in de praktijk waarbij meerdere politieambtenaren en officieren van justitie met als uitgangspunt “koste wat kost”,  zo deelden met ons de betrokken redacteuren van Autoweek tijdens dezelfde studiemiddag als overheersend gevoel, afgifte van de CD-ROM hebben kunnen uitlokken. Het Hof in Straatsburg, bij monde van de kamer in eerste aanleg in deze zaak met een meerderheid van 4 van de 7 rechters, heeft dit nadrukkelijk erkend en omschreven als een ‘regrettable lack of moderation’ (zie in dit arrest, r.o. 63). Maar toch, voor die laatstgenoemde kamer was het niet dusdanig dat de Nederlandse Staat ervoor veroordeeld moet worden in het licht van artikel 10 EVRM, met name dankzij de, weliswaar wettelijk gezien niet-verplichte maar in deze omstandigheden volgens de kamer in eerste aanleg voldoende, bemiddelende rol van een rechter-commisaris (r.o. 62). In eerste aanleg werd Nederland enkel aangemoedigd de wettelijke waarborgen nog eens te overzien (zie voor twijfels van deze kamer over de Nederlandse wetgeving, r.o. 51, 52 in combinatie met 62, 63).

Overigens, is het de vraag of voor deze coulance ruimte was geschapen wanneer men in Straatsburg niet hadden kunnen verwijzen naar de ontwikkeling van nieuwe wetgeving in Nederland in verband met een nieuw wetsvoorstel, waarover in dit arrest m.i. onterecht wordt gesuggereerd dat het parlement in Nederland zich erover aan het buigen is (r.o. 27; zie ook r.o. 51). Ik heb eerder uitgezet op deze blog dat hét wetsvoorstel waarvan op dit onderwerp iets te verwachten valt, i.e. het voorstel van Wet bronbescherming in strafzaken, op dit moment nog niet bij de Tweede Kamer ligt.  Tijdens de studiemiddag wist men daar van de actuele inhoud verder nog niks.

Dit oordeel in eerste aanleg is wel een gevalletje “voor deze keer”. Hieruit valt m.i. nog steeds het een en ander te gevolgtrekken. Kennelijk biedt de journalistieke bronbescherming in het kader van artikel 10 EVRM ruimte om, in verband met het type strafrechtelijke kwesties als in de Sanoma-zaak aan de orde, nl. ramkraken van pinautomaten met een naar zeggen van de politie ‘op leven en dood’-karakter vanwege het trekken van een pistool door de verdachte ramkraker, tot noodzakelijkheid binnen een democratische samenleving van afgifte van journalistiek bronnenmateriaal te kunnen concluderen (r.o. 58).

Het oordeel van de Grote Kamer doet hieraan niet af. Het verschil van mening zit hem in de mate van bezwaarlijkheid van het ontbreken van de al eerder omschrevene wettelijke verplichting. In laatste instantie is dit punt doorslaggevend geweest zodat een wikken-en-wegen oordeel niet meer nodig was. Het gaat nu na 14 september 2010 om een verplichting vanuit Straatsburg aan de Nederlandse staat om voldoende wettelijke waarborgen vorm te geven die, zoals eerder in deze post geciteerd uit het arrest van de Grote Kamer, moeten leiden tot een ‘independent assesment’ van de in het geding zijnde belangen voordat journalistieke bronkennis zonder vrijwillige toestemming van de betrokken journalisten bij justitie terecht kan komen.

Voor de Autoweek redacteuren was het effect van het gebrek in de wetgeving ook het grootste bezwaar. De situatie ‘escaleerde’, met pas op initiatief van de journalisten een matigende hand van een rechter-commisaris (zie over deze escalatie ook de dissenting opinion bij het arrest van de kamer in eerste aanleg, waarin wordt betoogd dat er sprake was van meer dan een ‘regretable lack of moderation’). Dat dergelijke escalatie moet worden voorkomen, speelt gezien de opmerkingen van mr. Brouwer tijdens de studiemiddag, zoals hierboven “geciteerd”, al binnen het OM en de noodzaak de praktijk beter te waarborgen wordt ook daar gevoeld.

Een hernieuwde Aanwijzing is voor mr. Brouwer nu de te nemen stap. Hem is wel nog de vraag gesteld of een dergelijk document voldoende wettelijk is. M.i. komt het aan op de vraag of een uitwerking in de Aanwijzing zou kunnen voldoen aan de eisen van de Rule of Law, waarover Grote Kamer herhaalt uit vaste jurisprudentie:

For domestic law to meet these requirements it must afford a measure of legal protection against arbitrary interferences by public authorities with the rights safeguarded by the Convention. In matters affecting fundamental rights it would be contrary to the rule of law, one of the basic principles of a democratic society enshrined in the Convention, for a legal discretion granted to the executive to be expressed in terms of an unfettered power. Consequently, the law must indicate with sufficient clarity the scope of any such discretion conferred on the competent authorities and the manner of its exercise (r.o. 82)

Mr. Brouwer heeft tijdens de studiemiddag tegelijk met zijn belofte, overigens gepleit tegen invoering van een uitgebreide(re) (formele) wet inzake bronbescherming. Hij ziet geen heil in verdere formeel-wettelijke invulling van bijvoorbeeld het type misdrijven in verband waarmee afgifte van bronmateriaal gevorderd kan worden.

Tijdens de studiemiddag heeft professor Dirk Voorhoof, hoogleraar aan de Universiteit van Gent, zich wel voorstander getoond van een dergelijke formeel-wettelijke afbakening van de categorie misdrijven, naar analogie van de Belgische “Bronnenwet” (zie ook het verslag van de NVJ). In die Belgische wet staat in art. 4 een afbakening tot voorkoming van misdrijven ‘die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen’.

In antwoorden op kamervragen is het onduidelijk gebleven of oud-minister van Justitie Hirsch Ballin vanwege het laatste arrest in de Sanoma zaak, een noodzaak zag tot aanpassingen van huidige dan wel invoering van nieuwe bepalingen in formele wetten. De consequenties van het arrest voor het eerder aangekondige voorstel van Wet bronbescherming in strafzaken worden kennerlijk nog ‘onder ogen gezien’, nu er nog niet tot indiening van het wetsvoorstel is overgegaan zoals toen beoogd voor oktober j.l. De minister kondigde verder ook aan dat de herziene Aanwijzing van het College van procureurs-generaal inzake de toepassing van dwangmiddelen bij journalisten op korte termijn aan hem zou worden voorgelegd ter goedkeuring.

Interessant is de vraag of en hoe de twee aangekondigde regelingen elk op zich, toegemoet gaan komen aan de vereisten van de Rule of Law en het idee van ‘voorzien bij wet’ uit lid 2 van artikel 10 EVRM in het licht van beide arresten van het EHRM in de Sanoma zaak, waarmee m.i. rekening gehouden zal moeten worden bij zowel de vormgeving van het Wetsvoorstel als de Aanwijzing. We zullen meer zien in dit nieuwe jaar.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: