Urgenda had slechts gelijk moeten krijgen

door Redactie op 30/06/2015

in Rechtspraak

Post image for Urgenda had slechts gelijk moeten krijgen

Wat velen hoopten maar weinigen verwachtten gebeurde toch: Urgenda won de rechtszaak. En niet zo’n beetje ook. De milieugroepen zelf hadden realistisch ingezet op zogenaamde ‘verklaringen voor recht’ dat de Staat onrechtmatig handelt door de emissie van CO2 onvoldoende te in te perken. Zo wilden zij de politiek aansporen meer te doen. Maar de Haagse rechtbank wees de hoofdprijs toe. Er ligt nu een formeel ‘reductiebevel’. De Staat moet ‘het gezamenlijk volume van de Nederlandse emissies van broeikasgassen zodanig beperken of doen beperken dat dit volume aan het einde van het jaar 2020 met ten minste 25% zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 1990’.

Dat was al het politieke resultaat van klimaatconferenties. Nu is het ook iets waar Urgenda de deurwaarder achteraan zou kunnen sturen. Hoewel juristen ook graag de voeten droog houden en niet per se tegen emissiereductie zijn, blijft het de vraag hoe verstandig dit vonnis is.

Van politieke klimaatdoelstelling naar juridische zorgplicht

Voor een bevel van de rechter is een onderliggende juridische verplichting nodig. Urgenda kan zich volgens de rechtbank echter niet beroepen op de afspraken tussen Staten over klimaatverandering en evenmin op uitspraken in de sfeer van mensenrechten. De redenering van de rechtbank verloopt via de plicht uit ons Burgerlijk Wetboek om te handelen conform ‘hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. Bij het invullen van deze vage begrippen wegen de internationale klimaatdoelstellingen waar Urgenda zich niet rechtstreeks op kan beroepen toch weer zwaar mee. De rechtbank redeneert dat het gevaar van klimaatverandering en de potentiële schade aan mens en milieu zo groot is, terwijl de Staat daarvan weet en er wat aan kan doen, dat hij dat ook moet doen.

Deze redenering is op zichzelf niet raar. Zij stamt uit een klassieke zaak waarin de Hoge Raad oordeelde dat een leverancier van frisdrank tijdens zijn werk niet zomaar een kelderluik open mag laten staan in een café. Dat was onrechtmatige ‘gevaarzetting’, volgens de Hoge Raad. De leverancier had met hetzelfde gemak even een leeg kratje bij het geopende luik kunnen zetten. De vraag is of een dergelijke redenering ook werkt bij een abstract en diffuus gevaar als  klimaatverandering. Wie zal waar en wanneer welke schade lijden als gevolg van de verwezenlijking van welk gevaar? Die vragen liggen in deze klimaatzaak lastiger dan bij een onbeheerd openstaand kelderluik. Maar blijkbaar acht de rechtbank het gevaar van klimaatverandering zo groot dat de tijd rijp is de vertaalslag van politieke klimaatdoelstellingen naar een juridische zorgplicht van 25% te maken. Blijkbaar ook taxeert zij dat er voldoende draagvlak voor bestaat dat de rechter dat namens ons allen kan doen. Deze exercitie leent zich volgens ons echter niet voor al te veel herhaling, wil de Haagse rechtbank niet dagelijks als gevaarzetting geformuleerde politieke manifesten voorgeschoteld krijgen.

Rechter en politiek

Ook als moet worden aangenomen dat de klimaatdoelstelling een juridische zorgplicht is, blijft het onverstandig van de rechter om vervolgens een ‘reductiebevel’ te geven. Al sinds jaar en dag weigert de Hoge Raad terecht om zogenaamde wetgevingsbevelen te geven. Het vaststellen van wetten is het primaat van de volksvertegenwoordigers. Nu staat in de Urgenda-zaak niet helemaal vast dat de Staat nieuwe wetten moet maken. Er kunnen immers ook nieuwe Energieakkoorden worden gesloten of elektrische politieauto’s aangeschaft. Daar is niet per se wetgeving voor nodig. Toch is het vrijwel ondenkbaar dat de vereiste reductie zonder wetgeving bereikt zal kunnen worden. De Staat moet de emissies immers ook ‘doen beperken’, zoals het oordeel van de rechtbank vermeldt.

Daarom had de Haagse rechtbank de redenering waarmee de Hoge Raad weigert wetgevingsbevelen te geven ook op het gevraagde reductiebevel moeten toepassen. Dat was bovendien wel zo verstandig geweest. Met wetgevingsbevelen en dit soort reductiebevelen gaat de rechter een conflict aan dat hij niet kan winnen. Want wat dacht de rechter precies te gaan doen, als er in 2020 toch teveel CO2 in de lucht zit? Het regeringsvliegtuig aan de ketting leggen? Bij Eva Jinek op de bank de regering tot de orde roepen?

Zelfs als het klimaatbeleid van het kabinet in het juridische concept ‘gevaarzetting’ past, had de rechter het in deze politieke zaak bij een verklaring voor recht moeten laten dat de Staat onrechtmatig handelt. Het vervolg was dan weer meer een kwestie voor de politiek geworden dan een uitdaging voor de deurwaarder.

Geerten Boogaard & Wouter den Hollander. Deze post verscheen vandaag als opiniebijdrage in het Friesch Dagblad.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 RJ 02/07/2015 om 20:00

Afdwingbaarheid van rechterlijke uitspraken is een groot goed. Anderzijds hoop ik toch dat van rechters nog enig gezag uit blijft gaan en hun uitspraken, zeker door de Staat, waardiger worden ontvangen dan “you and what army?”
Zo niet, gaan vooral internationale hoven als het EHRM een zware toekomst tegemoet.

Een wetgevingsbevel heeft de Haagse rechtbank bovendien naar mijn idee niet uitgevaardigd. Hooguit een resultaatsverplichting – en dat is gezien de (internationale) verplichtingen waaraan de Staat zich heeft of weet gebonden weer niet geheel onbegrijpelijk. Door deze verplichtingen is het thema klimaatverandering immers voor een deel buiten politieke, en binnen de juridische werkelijkheid getreden.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: